Uitspraak in zaak 2019/027/CBE

Bestreden beslissing:

De stage in het kader van de opleiding Verpleegkunde is tussentijds afgebroken en met een onvoldoende beoordeeld. De examencommissie heeft bepaald dat de gehele stage opnieuw moet worden gedaan.

Het CBE van de Hogeschool van Amsterdam heeft het administratief beroep tegen de beoordeling en de beslissing van de examencommissie ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: ongegrond

Hoofdoverwegingen:

Beoordeling van het beroep

  1. De beoordeling van de stage

    2.3. Onder de gedingstukken bevindt zich een e-mail van de stage-instantie met een uiteenzetting van de redenen voor de beëindiging van de stage. Daaruit volgt dat de stage is beëindigd vanwege een klacht over de wijze waarop appellante een individuele bewoner met betrekking tot diens relatienetwerk heeft bejegend en vanwege onvoldoende transparantie in de communicatie en samenwerking met directe collega’s als gevolg waarvan er rolonduidelijkheid is ontstaan. Volgens de e-mail van de stage-instelling is ook van belang de wijze waarop appellante op de klacht heeft gereageerd. Zij stelde zich, aldus de stage-instelling, zeer defensief, bijna agressief op toen zij werd uitgenodigd voor een gesprek over de ingediende klacht, terwijl de uitnodiging juist was bedoeld om het verhaal van appellante te horen. De stage-instelling heeft, zo blijkt uit de e-mail, nog feedback gegeven op dit gedrag, maar deze feedback zette niet aan tot zelfreflectie. Volgens de stage-instelling past dit gedrag niet bij een studente die bezig is met afstuderen en is het gedrag onprofessioneel. Verder is het de stage-instelling gebleken dat appellante haar e-mails ondertekent als regieverpleegkundige, terwijl ze niet in dienst is als regieverpleegkundige. Verweerder heeft in dit kader gemotiveerd dat uitvoerig contact is geweest met de stage-instelling en dat appellante in de gelegenheid is gesteld haar kant van het verhaal toe te lichten. Appellante heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Naar het oordeel van het College is in zoverre zorgvuldig gehandeld.

    Hieruit volgt dat de stage tussentijds is beëindigd.

    2.3.1. In de Stagegids is opgenomen hoe de beoordeling van de onderwijseenheid stage plaatsvindt. In tabel 4 “Kwalificaties stagebeoordeling” zijn verschillende omschrijvingen opgenomen variërend van “excellent” tot “niet voldaan”. Achter elke kwalificatie zijn de criteria opgenomen op grond waarvan de desbetreffende kwalificatie wordt toegekend. Bij de kwalificatie “niet voldaan” zijn de criteria “De student was ongeoorloofd afwezig en/of was meer dan 10% van de stagedagen absent en/of de stage werd vroegtijdig beëindigd” opgenomen. Omdat de stage van appellante, zoals uit overweging 2.3 volgt, voortijdig is beëindigd, heeft verweerder de beslissing van 12 september 2018, waarbij de beoordeling “niet voldaan” is toegekend, terecht in stand gelaten. Dat appellante een goede tussentijdse beoordeling heeft ontvangen, leidt, gelet op de in de opgenomen criteria in de Stagegids, niet tot een ander oordeel. Daarover heeft verweerder overigens nog toegelicht dat tijdens de stage geen tussentijdse beoordeling heeft plaatsgevonden, maar een tussentijdse evaluatie. Daarbij is als aandachtspunt voor appellante aan de orde geweest dat zij ook op papier moest gaan reflecteren als onderdeel van het leerproces, juist omdat ze geen stagewerkplan en geen zelfbeoordeling had ingeleverd. Het beroep van appellante op de uitspraak van het CBHO van 12 juli 2016 in zaak nr. 2016/055, kan haar niet baten. Die zaak zag niet op een beoordeling na een tussentijdse beëindiging van een stage.

  2. Het verzoek om vrijstelling of een verkorte stage

    2.4. Wat betreft het verzoek om vrijstelling, heeft verweerder zich in navolging van de examencommissie op het standpunt gesteld dat appellante niet voldoet aan de in artikel 3.11 van de OER neergelegde voorwaarden. Appellante heeft dit niet betwist.

2.4.1. Voor zover appellante heeft verzocht om de stage te herkansen via een verkorte herstelstage, volgt uit de Stagegids dat de onderwijseenheid, afhankelijk van het leerjaar en de lengte van de stage, via een verkorte herstelstage of tijdens een daarop volgende reguliere stage wordt herkanst als aan drie voorwaarden is voldaan. Eén van die voorwaarden is dat de stage niet voortijdig is afgebroken. Verweerder heeft zich gelet op deze voorwaarden in de Stagegids dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het verzoek van appellante in overeenstemming met de daarvoor geldende regels is afgewezen.