Uitspraak in zaak 2019/028/CBE

Bestreden beslissing:

Het afstudeerrapport tbv de opleiding Interational Bussiness and Communication is door de examinatoren met een onvoldoende beoordeeld.

Het CBE van de Hogeschool Arnhem en Nijmegen heeft het administratief beroep tegen de beoordeling ongegrond verklaard.

tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: ongegrond

Hoofdoverwegingen:

Beoordeling door het College

2.4. Ingevolge artikel 7.66, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW), gelezen in verbinding met artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een beoordeling van het kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Deze bepalingen staan eraan in de weg dat door het instellen van beroep tegen een beslissing van een college van beroep voor de examens een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een beslissing die als zodanig van bestuursrechtelijke rechtsbescherming is uitgezonderd. Dit betekent dat het College slechts kan onderzoeken of het college van beroep voor de examens terecht de vaststelling van het cijfer in stand heeft gelaten omdat bij de beoordeling is voldaan aan de voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb, de WHW of enig andere wet in formele zin zijn gesteld.

2.5. Met verweerder is het College van oordeel dat de eerste examinator en de supervisor het afstudeerrapport overeenkomstig de beschrijving van de handleiding van de afstudeeropdracht hebben beoordeeld.

Het College is voorts van oordeel dat het enkele feit dat appellant de feedback van zijn begeleiders heeft verwerkt, niet betekent dat het afstudeerrapport daarmee als voldoende moet worden beoordeeld. De wijze waarop de feedback door appellant is verwerkt is daarvoor immers van doorslaggevend belang. Verweerder heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat van een hbo student mag worden verwacht dat hij zelf invulling geeft aan hoe de feedback verwerkt dient te worden. De uiteindelijke beoordeling van het eindrapport, en de beoordeling van de wijze waarop de feedback daarin is verwerkt, is naar zijn aard inhoudelijk.

Over het betoog dat hij tot op heden acht jaar over zijn studie heeft gedaan, overweegt het College als volgt. Appellant volgt een voltijdstudie, hetgeen betekent dat hij in beginsel fulltime aan zijn studie zou moeten besteden om de opleiding binnen vier jaar te kunnen halen. Dat hij twee banen heeft om zijn studie te bekostigen, is het gevolg van de omstandigheden waarin appellant verkeert dan wel de keuzes die hij heeft gemaakt. De lengte van zijn studieduur tot op heden kan echter geen reden zijn om hem een voldoende toe te kennen voor zijn afstudeeropdracht. Het cijfer daarvoor is afhankelijk van de inhoud van die opdracht.

Het gevolg van de lange studieduur is voorts dat appellant een groter risico loopt dat het curriculum wordt gewijzigd, hetgeen in dit geval is gebeurd. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat een overgangsregeling is getroffen waaraan appellant ook had kunnen deelnemen. Daarmee is niet gebleken dat de beslissing in zoverre onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Over het betoog van appellant dat verweerder hem niet heeft ondersteund bij het vinden van een afstudeerstage, heeft verweerder terecht gewezen op het stappenplan in de afstudeerhandleiding voor het vinden van een stage. In die handleiding wordt ook gewezen op een stageportaal waar studenten vacatures kunnen vinden van bedrijven die een stageplaats aanbieden. Daarbij komt dat naar het oordeel van het College ook in dit opzicht van de student enige assertiviteit mag worden verwacht in het zoeken naar een geschikte afstudeerstage.