Uitspraak in zaak 2019/063.5

Bestreden beslissing:

De decaan heeft namens het college van bestuur verzoeker geschorst voor een periode van 5 maanden en bepaald dat hij in die periode geen toegang heeft tot de systemen van de universiteit.

Het college van bestuur van de Universiteit Maastricht heeft het bezwaar van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen die beslissing heeft verzoeker beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs. Hij vraagt tevens een voorlopige voorziening.

Uitspraak CBHO: gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.6. Het College stelt voorop dat, zoals ook niet in geschil is, het hiervoor in 1 beschreven gedrag van appellant als volkomen onaanvaardbaar moet worden aangemerkt.
Dit laat echter onverlet dat er een voldoende duidelijke grondslag moet bestaan voor de aan appellant zonder voorafgaande waarschuwing opgelegde maatregel tot toegangsontzegging
. Naar het oordeel van het College kan die grondslag niet in artikel 3, tweede lid, van de Huisregels worden gevonden. Die bepaling kan zo worden gelezen dat een waarschuwing vereist is voor het opleggen van zowel de maatregel tot toegangsontzegging als (het voorstel van de decaan aan verweerder voor het opleggen van) de maatregel tot tijdelijke beëindiging van de inschrijving. Evengoed kan die bepaling zo worden gelezen dat alleen voor (het voorstel van de decaan tot) het opleggen van de maatregel tot tijdelijke beëindiging van de inschrijving een waarschuwing is vereist en voor het opleggen van de maatregel tot toegangsontzegging niet. Naar het oordeel van het College bestaan er onvoldoende aanknopingspunten om die laatste, door verweerder voorgestane, lezing als de enige redelijkerwijs bedoelde aan te merken. Dat artikel 7.57h, eerste lid, van de WHW een waarschuwing niet als vereiste stelt, betekent niet dat een instellingsbestuur niet de bevoegdheid heeft om een voorafgaande waarschuwing voor te schrijven. Artikel 7.57h, eerste lid, schrijft evenmin ten aanzien van het opleggen van de maatregel tot tijdelijke beëindiging van de inschrijving een waarschuwing voor, terwijl ingevolge beide lezingen van artikel 3, tweede lid, voor (het voorstel van de decaan tot) het opleggen van die maatregel wel een waarschuwing nodig is. Uit artikel 7.57h, eerste lid, kan dus niet worden afgeleid dat met artikel 3, tweede lid, moet zijn bedoeld om het opleggen van de maatregel tot toegangsontzegging zonder waarschuwing mogelijk te maken. Artikel 9.1 van het Studentenstatuut vermeldt niet dat voor (het voorstel van de decaan tot) het opleggen van de maatregel tot tijdelijke beëindiging van de inschrijving een waarschuwing nodig is, zodat aan die bepaling niet de door verweerder gewenste betekenis kan worden gehecht.
Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de Gedragscode een grondslag biedt om een toegangsontzegging op te leggen, volgt het College hem hierin evenmin. De Gedragscode is niet door verweerder, maar door het faculteitsbestuur vastgesteld. De daarin neergelegde bepalingen zijn daarom niet aan te merken als de in artikel 7.57h, eerste lid, bedoelde voorschriften. Dat de Gedragscode door het faculteitsbestuur namens verweerder is vastgesteld, zoals verweerder in zijn verweerschrift naar voren heeft gebracht, blijkt niet uit de Gedragscode. Het faculteitsbestuur zou ook niet bevoegd zijn geweest om namens verweerder de in artikel 7.57h, eerste lid, bedoelde voorschriften vast te stellen, omdat niet is gebleken dat verweerder het faculteitsbestuur daartoe mandaat heeft verleend.