Uitspraak in zaak 2019/060.5/CBE

Bestreden beslissing:

De examencommissie heeft een groepswerkstuk wegens onjuiste bronvermelding ongeldig verklaard en studenten uitgesloten van de herkansing.

Het CBE van de Vrije Universiteit heeft het administratief beroep van appellant tegen de hem betreffende beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld en verzocht om versnelde behandeling.

Uitspraak CBHO: Gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4.1. Het CBE heeft de examencommissie terecht gevolgd in het oordeel dat appellant plagiaat heeft gepleegd. Uit de door het CBE overgelegde stukken, te weten het Turnitin-plagiaatrapport en het artikel van de bronauteurs, volgt dat de paragraaf “literature review” geplagieerde teksten bevat. Meer delen van de paragraaf zijn letterlijk overgenomen uit het artikel van de bronauteurs, zonder dat de bron in de desbetreffende paragraaf is vermeld. De omstandigheid dat appellant de desbetreffende paragraaf niet zelf heeft geschreven, maar één van de medestudenten, leidt niet het oordeel dat appellant geen plagiaat heeft gepleegd. Het werkstuk betrof een groepsopdracht en de groepsleden droegen een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de opdracht. Dit stond ook expliciet vermeld op het instructieformulier. Ook was daarop expliciet vermeld dat groepsleden gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor eventueel plagiaat. Op het instructieformulier was verder verwezen naar een website over plagiaat die door studenten kon worden geraadpleegd. Appellant wist dan wel had redelijkerwijs moeten weten op welke wijze bronnen moesten worden vermeld. Daar komt bij dat appellant en de twee medestudenten tijdens het gesprek met de examencommissie op 11 februari 2019 nadrukkelijk hebben verklaard dat zij in groepsverband aan het werkstuk hebben gewerkt en dat zij elkaars teksten hebben gelezen en gecontroleerd. In zoverre faalt de grond.

2.4.2. Het College is er echter niet van overtuigd dat in dit geval een evenredige sanctie is opgelegd. Ter zitting van het College heeft het CBE toegelicht dat bij een groepsopdracht in beginsel alle groepsleden dezelfde sanctie opgelegd krijgen voor het plegen van plagiaat. Aan een student die het plagiaat niet zelf heeft gepleegd, wordt geen sanctie dan wel een lagere sanctie opgelegd indien deze student het plegen van plagiaat redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. De examencommissie heeft aan appellant en de twee medestudenten dezelfde sanctie opgelegd. Niet ter discussie staat dat appellant het plagiaat niet feitelijk heeft gepleegd. Verder is vast komen te staan dat het geplagieerde gedeelte moeilijk als zodanig is te herkennen, omdat ook de bronvermeldingen in de geplagieerde tekst letterlijk zijn overgenomen. Ter zitting van het College is gebleken dat de plagiaatscanner Turnitin, die door docenten van de Vrije Universiteit wordt gehanteerd, niet beschikbaar is voor studenten van de universiteit. Appellant heeft tezamen met de twee medestudenten het concept-werkstuk via een online plagiaatscanner gecontroleerd. Dergelijke online plagiaatscanners zijn minder gedetailleerd dan de plagiaatscanner Turnitin. Deze plagiaatscanner kan - anders dan de door appellant gebruikte scanner – wel herkennen of passages waarin correcte bronvermeldingen staan, uit een ander brondocument afkomstig zijn. Enkel op basis van de online plagiaatscanner heeft appellant dus niet met zekerheid kunnen vaststellen dat sprake was van plagiaat. De controle via de online plagiaatscanner leverde een percentage op van 21% overlap met teksten uit andere bronnen. Appellant heeft gesteld dat de vakdocent bij aanvang van de opdracht aan studenten had meegedeeld dat een percentage van 20% normaal is. Hij vond de score van 21% daarom niet alarmerend. Het CBE heeft de stelling dat de vakdocent een percentage van 20% zou hebben genoemd, onvoldoende ontkracht. Het College ziet ook anderszins geen aanknopingspunten om deze stelling in twijfel te trekken. Gelet hierop is het College van oordeel dat appellant de plagiaatscore van 21% op zichzelf niet alarmerend heeft hoeven achten. Appellant heeft naar aanleiding van de plagiaatscore nader overleg gevoerd met de twee medestudenten en hen bevraagd op mogelijk plagiaat. De twee medestudenten hebben appellant vermeld geen plagiaat te hebben gepleegd.

Het College is - gelet op deze inspanningen die appellant heeft verricht en gezien de gevolgen die de sanctie voor appellant heeft - van oordeel dat de examencommissie onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan appellant dezelfde sanctie is opgelegd als aan de medestudent die het plagiaat feitelijk heeft gepleegd. Het CBE heeft dit niet onderkend. De grond slaagt in zoverre.