Uitspraak in zaak 2019/002/CBE

Bestreden beslissing:

De examinatoren hebben het tentamen "Afstudeeropdracht" ten behoeve van de deeltijdopleiding HBO-rechten met het cijfer 6.0 beoordeeld.

Het CBE van de Hogeschool Arnhem en Nijmegen heeft het administratief beroep van appellant tegen die beoordeling ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.5. Niet in geschil is dat de opleiding HBO‑rechten deeltijd geen beoordelingsformulier had dat was toegespitst op een afstudeeropdracht van 10 punten. De examinatoren hebben met goedkeuring van de examencommissie een beoordelingsformulier gebruikt voor een afstudeeropdracht van 30 studiepunten. De te toetsen competenties op beide formulieren zijn identiek. Met verweerder is het College van oordeel dat het gebruik van dat beoordelingsformulier niet heeft geleid tot een onzorgvuldige beoordeling van de opdracht van appellant.
Voorts betoogt appellant op zichzelf terecht, zoals verweerder ook heeft erkend, dat de eerste examinator de scores per beoordelingscriterium – door middel van het zetten van kruisjes – op slordige wijze op het beoordelingsformulier heeft ingevuld. Zo zijn de kruisjes op de onderdelen C2 en D1 op de lijn tussen score 1 en score 2 neergezet. Dit kan echter niet leiden tot het door appellant gewenste conclusie dat voor beide onderdelen een score 2 moet worden toegekend. Allereerst blijkt uit een e‑mail van de eerste examinator van 28 juni 2018 aan appellant dat hij in ieder geval met één kruisje een score 1 heeft willen toekennen, maar hij het kruisje abusievelijk op de lijn heeft geplaatst. Daarnaast heeft de examinator elke score gemotiveerd onderbouwd en daaruit valt niet op te maken dat de examinator op een van beide onderdelen een score 2 had willen toekennen. Voor zover appellant heeft betoogd dat op beide onderdelen een score 1,5 had moeten worden toegekend, wat daar ook van zij, kan een dergelijke waardering niet leiden tot een ander eindcijfer.
Ook het betoog van appellant dat hij op grond van de herbeoordeling door de derde examinator een hoger eindcijfer had moeten krijgen, slaagt niet. De derde examinator is op het door haar herbeoordeelde onderdeel A ‘onderzoeksverslag’ gemotiveerd tot dezelfde scores gekomen als de eerste en tweede examinator. Uit de herbeoordeling kan, anders dan appellant heeft aangevoerd, niet worden afgeleid dat hij met dit onderwerp, deze doelstelling en deze deelvragen, geen score 2 of 3 had kunnen behalen. Uit de motivering blijkt juist, zoals verweerder terecht heeft gesteld, dat met de gekozen insteek en onderzoeksvragen wel een hogere score haalbaar was geweest. Appellant heeft echter niet laten zien dat hij hiertoe in staat was.
Het College is derhalve van oordeel dat verweerder terecht de vaststelling door de examinatoren van het eindcijfer 6,0 in stand heeft gelaten. Op grond van het beoordelingsformulier en de toelichtingen daarop is voldoende duidelijk dat het eindresultaat van de beoordeling van de drie examinatoren het eindcijfer 6,0 is.