Uitspraak in zaak 2019/091.5

Bestreden beslissing:

Voor de toets psychomotorische vaardigheden, afgelegd in het kader  van de decentrale selectie tandheelkunde, kreeg appellante de laagst mogelijke score omdat dit op het verkeerde papier was ingeleverd.

Het college van bestuur van de Radboud Universiteit Nijmegen heeft het bezwaar van appellante gegrond verklaard en appellante een nieuw rangnummer toegekend.

Tegen die beslissing heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.3.1. Bij de beslissing op bezwaar van 20 juni 2019 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, bepaald dat een nieuwe beoordeling van de werkstukken diende plaats te vinden en dat aan de hand van die beoordeling een nieuw rangnummer moest worden toegekend. Vervolgens is de beslissing van 3 juli 2019 genomen. Deze laatste beslissing is een aanvullende beslissing op bezwaar die is toe te rekenen aan verweerder en waarbij de waardering van de werkstukken heeft geleid tot het nieuwe rangnummer 90. Over de totstandkoming van dat rangnummer heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de werkstukken in eerste instantie met de laagst mogelijke score waren gewaardeerd, omdat deze niet konden worden beoordeeld aan de vooraf opgestelde beoordelingscriteria. Bij de beoordeling worden de werkstukken op een mal gelegd, waardoor precies is te zien of een werkstuk de juiste breedte en lengte heeft en of de lijnen en uiteinden evenwijdig zijn aan elkaar, aldus verweerder. Daarbij wordt ook gekeken naar de afwerking van het werkstuk. De werkstukken konden, aldus verweerder, niet op de mal worden gelegd omdat deze aan het traypapier waren gekleefd. De selectiecommissie heeft de werkstukken naar aanleiding van de beslissing op bezwaar van 20 juni 2019 nogmaals bekeken, maar deze konden als gevolg van de wijze van aanlevering door appellante slechts op enkele criteria worden beoordeeld. Volgens verweerder zou een inhoudelijke herbeoordeling nauwelijks leiden tot een verbetering van de toegekende score van 24 punten. Daarom is besloten om de mediaanscore toe te passen + 1 punt. De mediaanscore is de middelste score van de deelnemers van de toets. Daarbij heeft verweerder betrokken dat appellante bij de overige selectieonderdelen scores heeft behaald die rond het gemiddelde van alle kandidaten liggen. De mediaanscore sluit daarom aan bij haar overige scores. Naar verwachting doet deze score, aldus verweerder, meer recht aan de capaciteiten van appellante dan de (lagere) score die daadwerkelijk door haar zou zijn behaald op basis van de criteria die wel konden worden beoordeeld. Ter zitting van het College heeft verweerder aan de hand van de door appellante gemaakte werkstukken nog eens toegelicht waarom hij de werkstukken als gevolg van de wijze van aanlevering niet heeft kunnen beoordelen op de daarvoor geldende beoordelingscriteria. Om die reden heeft verweerder bij nader inzien niet een nieuwe inhoudelijke beoordeling van de werkstukken op de criteria gemaakt, maar de mediaanscore toegepast.

2.3.2. Verweerder heeft, gelet op de wijze van aanlevering door appellante van haar werkstukken, de hiervoor geschetste achtergrond van de wijze van beoordeling en de toelichting daarover ter zitting van het College en in het licht van de geldende beoordelingscriteria, niet onjuist of in strijd met procedurele voorschriften gehandeld door voor de waardering van de werkstukken de mediaanscore toe te passen en daarbij 1 punt extra toe te kennen. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat een beoordeling van de werkstukken aan de hand van de achter de praktische opdracht gevoegde beoordelingscriteria niet tot een hogere score zou leiden dan de mediaanscore. In reactie op het betoog van appellante dat verweerder de werkstukken toch inhoudelijk aan de hand van de criteria had kunnen beoordelen door deze handmatig op te meten, heeft verweerder ter zitting verduidelijkt dat bijvoorbeeld het symbool € niet met een liniaal is op te meten. Verder dient de beoordeling met voldoende precisie aan de hand van de relevante criteria te gebeuren en dat is met behulp van een liniaal niet mogelijk. Daarom wordt gebruik gemaakt van een mal, aldus verweerder. Het College acht dit standpunt niet onjuist. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat hij niet gehouden is om appellante in de gelegenheid te stellen een nieuwe opdracht te laten maken. In dat kader is, zoals verweerder stelt, van belang dat alle kandidaten dezelfde toetsen maken en dat de rangnummers worden bepaald door de gecombineerde toetsscores van de kandidaten onderling met elkaar te vergelijken. Een vervangende toets voor appellante betekent dat geen zuivere vergelijking van kandidaten onderling kan worden gemaakt. Ter zitting van het College heeft verweerder daar nog aan toegevoegd dat het bij de selectie van kandidaten soms om honderdsten van punten gaat en dat aan de hand van een ander werkstuk, dat onder andere omstandigheden wordt gemaakt geen vergelijking met de andere kandidaten kan worden gemaakt.

2.3.3. Het College ziet gelet op hetgeen is overwogen onder 2.3.1 en 2.3.2 geen aanleiding om de beslissing van 3 juli 2019, waarbij het rangnummer op 90 is vastgesteld, te vernietigen.