Uitspraak in zaak 2019/092.5

Bestreden beslissing: decentrale selectie

In het kader van decentrale selectie voor de opleiding Geneeskunde is aan appellante het rangnummer 539 toegekend.

Het college van bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen heeft het bezwaar van appellant tegen het toegekende rangnummer ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft appellant beroep ingesteld.

Uitspraak CBHO: Niet-ontvankelijk

Hoofdoverwegingen:

2.3. Omdat geen adres van appellante bekend is, heeft het College de ontvangst van het beroepschrift bevestigd via een in het Engels opgestelde e-mail van 1 augustus 2019. In die e-mail heeft het College appellante verder verzocht om het griffierecht ter hoogte van € 47,00 binnen vier weken te betalen en is haar informatie verstrekt over een zittingsdatum en over de voertaal tijdens de procedure. Ten slotte heeft het College appellante er in deze e-mail op gewezen dat correspondentie soms aangetekend dient te worden verzonden en haar daarom verzocht een correspondentieadres door te geven, waarnaar post kan worden gestuurd. Op 5 augustus 2019 heeft het College appellante vervolgens bericht dat is geprobeerd om haar telefonisch te bereiken, omdat geen reactie op de e-mail van 1 augustus is ontvangen. Het College heeft haar nogmaals verzocht om contact op te nemen. Na telefonisch contact met appellante is gebleken dat zij haar beroep niet wenst door te zetten. Op 7 augustus 2019 heeft het College appellante vervolgens verzocht de intrekking van het beroep schriftelijk te bevestigen. In die e-mail is ook vermeld dat ingeval appellante geen enkele reactie zou geven vóór 16 augustus 2019, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2.4. Vaststaat dat het beroepschrift van appellante geen adres bevat. Van appellante is slechts een e-mailadres bekend. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste neergelegd in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Appellante is ook gewezen op dat verzuim en zij is in de gelegenheid gesteld om alsnog een correspondentieadres door te geven. Omdat appellante niet meer heeft gereageerd op de e-mail van het College van 7 augustus 2019 en zij het verzuim dus niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.