Uitspraak in zaak 2019/074

Bestreden beslissing:

Het tentamen Inleiding Strafrecht is met een 5 beoordeeld.

Het CBE van de Open Universiteit heeft het administratief beroep van appellant ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.2.2. Appellant stelt twee vragen van het tentamen ter discussie, te weten de vragen 19 en 28.

Over vraag 19, die volgens appellant uit twee vragen bestaat, heeft de examinator tijdens de hoorzitting bij verweerder toegelicht dat hij, samen met een aantal vakgenoten, van mening is dat stellingvragen soms dubbelzinnig zijn en dat dit oneerlijk is voor studenten. Stellingvragen worden dan ook zoveel mogelijk uit de itembank verwijderd, aldus de examinator. Stellingvragen zijn, zo heeft de examinator ook toegelicht, onderwijskundig echter niet verkeerd en mogen onderdeel zijn van een tentamen. Hij heeft verder het standpunt ingenomen dat vraag 19 van het tentamen strikt genomen geen stellingvraag is, maar een andersoortige vraag. In de vraag worden de onderwerpen ‘gewone verdenking’ en ‘ernstige bezwaren’ benoemd die beide zien op het overkoepelende thema verdenking en de diverse gradaties van verdenking. De vraag is verder gemiddeld gemaakt door de studenten, aldus de examinator.

Gezien deze toelichting van de examinator valt niet in te zien dat vraag 19 geen onderdeel zou mogen zijn van het tentamen. Weliswaar heeft de examinator gesteld dat stellingvragen zoveel mogelijk uit de itembank worden verwijderd, maar daarmee heeft hij geen harde toezegging gedaan over vragen zoals vraag 19. Appellant heeft aan de uitlatingen van de examinator niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat zo’n soort vraag niet in het tentamen zou worden gesteld. Wat betreft de puntenwaardering van vraag 19, heeft de examinator zich op het standpunt gesteld dat de vraag weliswaar uit twee deelvragen bestaat, maar dat de kennis over één onderwerp wordt getoetst. Getoetst wordt het onderscheid tussen redelijk vermoeden en ernstige bezwaren in het kader van verdenking, aldus de examinator. Verweerder heeft, gezien deze toelichting van de examinator, geen aanleiding hoeven zien de beslissing van de examinator te vernietigen. Ter zitting van het College heeft appellant in dit kader nog betoogd dat bij dubbele vragen waarbij slechts 1 van de twee vragen fout is beantwoord, geen punten worden toegekend en dat dit een onderwaardering van de kennis van de student is. Dat betoog leidt echter niet tot vernietiging van de beslissing van de examinator, alleen al omdat deze situatie zich hier niet voordoet. Appellant heeft beide deelvragen van vraag 19 onjuist beantwoord.

Verder heeft de examinator, waar het om vraag 28 van het tentamen gaat, een consistente motivering gegeven waarom het antwoord van appellant op die vraag onjuist is en hij heeft toegelicht dat deze vraag gemiddeld is gemaakt door de studenten. Hij heeft daarbij ook verwezen naar de te bestuderen stof voor het tentamen. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de vraagstelling en de beoordeling door de examinator van het antwoord van appellant op vraag 28.

2.2.3. De conclusie is dat is voldaan aan de voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb, de WHW of enig andere wet in formele zin zijn gesteld. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien om de beslissing van de examinator van 31 januari 2019 te vernietigen.