Uitspraak CBHO 2019/071

Bestreden beslissing:

De examencommissie Geneeskunde heeft afwijzend beslist op het verzoek tot afgifte van een masterdiploma en eveneens op het subsidiaire verzoek tot toelating tot de masteropleiding Geneeskunde.

Het CBE van de Universiteit van Amsterdam heeft het administratief beroep van appellant ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: 

Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.3.3. Het antwoord op de vraag welk tarief een student is verschuldigd moet op grond van artikel 7.45a van de WHW worden beantwoord. Appellant bezit niet de Nederlandse nationaliteit en is niet ingevolge een verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie gelijkgesteld met een Nederlander. De vraag is vervolgens of appellant behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen. Deze algemene maatregel van bestuur is het Bsf. 
Vaststaat dat appellant met zijn niet-Nederlandse vader naar Nederland is gekomen op basis van een aan de vader verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking verband houdend met arbeid in loondienst. Vóór 1 februari 2017 beschikte appellant over een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking gezinshereniging met ouders. Appellant heeft vervolgens een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden verkregen. De aan appellant verleende verblijfsvergunningvergunning is niet verleend onder een beperking verband houdende met 'tijdelijke humanitaire gronden' of hiermee verband houdende 'niet-tijdelijke humanitaire gronden'. Gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef, onder e en 2°, van het Bsf is dan ook niet aan de orde. De verblijfstatus van appellant leidt evenmin op grond van de overige bepalingen van het Bsf tot gelijkstelling met een Nederlander.
Zoals het College in de uitspraak van 11 juni 2019 in zaak nr. 2019/193, heeft overwogen, wordt er in het Bsf geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt naar nationaliteit en verblijfstatus. Van een schending van artikel 14 van het EVRM en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM is dan ook geen sprake.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat aan appellant terecht het instellingscollegegeld in rekening is gebracht. Voor toepassing van de hardheidsclausule bestond geen aanleiding. Het betoog faalt.