Uitspraak in zaak 2019/170/CBE

Bestreden beslissing:

De directeur van het domein Business, Finance & Law heeft namens het instellingsbestuur aan appellant een bindend negatief studieadvies verstrekt.

Het CBE van Hogeschool Inholland heeft het administratief beroep van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4. De opleidingen SJD en HBO‑Rechten hebben een gemeenschappelijke propedeuse. Ingevolge artikel 58 van de OER geldt een voor één van deze opleidingen gegeven BNSA ook voor de andere opleiding. Ter zitting van het College heeft de directeur toegelicht dat hij de opleidingen SJD en HBO-Rechten voor de toepassing van artikel 7.8b van de WHW daarom als dezelfde opleiding beschouwt. De directeur heeft appellante dan ook op basis van het voor de opleiding SJD verkregen uitgesteld studieadvies, met daaraan verbonden een termijn tot 31 januari 2019 voor het halen van alle 60 studiepunten van de propedeuse, hoewel appellante na het verkrijgen van het uitgesteld studieadvies naar de opleiding HBO-Rechten is overgestapt, een BNSA gegeven. Het College is van oordeel dat deze gang van zaken niet in strijd is met artikel 7.8b van de WHW.
Bij de beslissing van 15 februari 2019 heeft de directeur appellante het BNSA gegeven omdat zij niet binnen de gestelde termijn de propedeuse heeft gehaald. Het College is van oordeel dat belangenafweging die de directeur heeft gemaakt na de constatering dat de propedeuse niet is gehaald, deugdelijk is. Weliswaar vermeldt de beslissing van 15 februari 2019 ten onrechte dat appellante aan het eind van het tweede jaar zeventien punten van de propedeuse niet heeft gehaald, maar dit betekent niet dat de directeur geen BNSA mocht geven. Dat appellante de propedeuse niet heeft gehaald, staat immers vast.
Hetgeen appellante aanvoert over de gemiste herkansing van het onderdeel ‘Assessment advisering’ van het vak ‘Het adviseringstraject’, kan niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden. Haar verzoek om een extra herkansing van dat onderdeel is afgewezen. Appellante heeft tegen deze afwijzing geen rechtsmiddelen ingesteld. Het College moet in deze procedure over het BNSA daarom uitgaan van de rechtmatigheid van deze afwijzing. Met het verkrijgen van een extra herkansing voor dat onderdeel zou zij overigens niet de 60 studiepuntenpunten van de propedeuse hebben kunnen behalen. Appellante heeft immers evenmin het vak Conflictanalyse gehaald.
Verder mocht verweerder zich met de directeur onder verwijzing naar het advies van de studentendecaan van 15 juli 2019 op het standpunt stellen dat het verband tussen de studieachterstand van appellante en de door haar naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden niet aannemelijk is. Appellante heeft zich gedurende het tweede studiejaar niet met persoonlijke omstandigheden tot de studentendecaan gewend. In het advies is de studieadviseur ingegaan op een door appellante in administratief beroep overgelegde verklaring van 18 maart 2019 van een psycholoog. Volgens de studentendecaan heeft de psycholoog bij navraag laten weten dat zij al meer dan een jaar geen contact met appellante heeft gehad, dat appellante niet haar patiënt is en dat zij de studentendecaan geen medewerking kon verlenen. Appellante heeft in reactie hierop geen nieuwe medische informatie overgelegd. Onder deze omstandigheden hoefden verweerder en de directeur geen betekenis te hechten aan de verklaring van de psycholoog. 
Het betoog faalt.