Uitspraak in zaak 2019/116/CBE

Bestreden beslissing: 

De toelatingscommissie Geneeskunde heeft afwijzend beslist op het verzoek tot toelating tot de masteropleiding Geneeskunde.

Het CBE van de Vrije Universiteit heeft het administratief beroep van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4. Het College is van oordeel dat, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, de eis dat een student beschikt over het Vrije Universiteit-specifieke bachelordiploma Geneeskunde, bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de OER, geen kwalitatieve eis is als bedoeld in artikel 7.30b, tweede lid, van de WHW. Niet in geschil is immers dat een bachelordiploma Geneeskunde van een andere universiteit kwalitatief dezelfde waarde heeft als het bachelordiploma Geneeskunde van de Vrije Universiteit en dat het instellingsbestuur die eis louter stelt om de doorstroming naar de masterfase van de eigen studenten Geneeskunde te kunnen garanderen. Dit betekent dat de directeur appellant niet mocht tegenwerpen dat hij niet aan deze eis voldoet. Nu evenmin in geschil is dat het instellingsbestuur geen maximum, bedoeld in artikel 7.30b, derde lid, heeft ingesteld, en appellant voldoet aan de toelatingseis, bedoeld in artikel 7.30b, eerste lid, aanhef en onder a, heeft de directeur appellant ten onrechte niet tot de masteropleiding Geneeskunde toegelaten. Verweerder heeft dit niet onderkend.
Het betoog slaagt.

2.5. Het College overweegt nog het volgende. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift en ter zitting van het College op het standpunt gesteld dat artikel 7.30b van de WHW geen rekening houdt met een opleiding als Geneeskunde, die in de praktijk bestaat uit één zesjarige opleiding waarbij de bachelor-masterstructuur niet goed past. Deze bepaling biedt volgens verweerder onvoldoende ruimte om de bezetting van schaarse opleidingsplaatsen in de laatste drie jaar van de opleiding te bewaken. Voor deze opleidingsplaatsen bestaan forse wachttijden, aldus verweerder.
Het College heeft begrip voor de praktische problemen van de opleiding Geneeskunde bij het laten doorstromen van de eigen studenten naar het onderwijs in de masterfase. Toelating tot de masterfase van studenten van andere universiteiten zou die problemen groter maken. Het College ziet echter geen grond om het standpunt van verweerder over de ontoereikendheid van artikel 7.30b voor de opleiding Geneeskunde te volgen. Artikel 7.30b, derde lid, biedt het instellingsbestuur immers de bevoegdheid om voor een opleiding een maximaal aantal in te schrijven personen vast te stellen, waarvan het instellingsbestuur van de Vrije Universiteit voor de opleiding Geneeskunde gebruik zou kunnen maken. Het College wijst ook op de door appellant in zijn beroepschrift gegeven voorbeelden van toelatingsregelingen voor de masteropleiding Geneeskunde van de Universiteit van Nijmegen, de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Utrecht. Het is aan het instellingsbestuur van de Vrije Universiteit om, al dan niet met een blik op die regelingen, een toelatingsregeling vast te stellen die aan de WHW voldoet.