Uitspraak in zaak 2019/175/CBE

Bestreden beslissing:

De examencommissie heeft afwijzend beslist om de gevolgde minor Risico- en crisismanagement te erkennen als passend bij de opleiding Bedrijfskunde.

Het CBE van De Haagse Hogeschool heeft het administratief beroep van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4. Naar het oordeel van het College is bij appellante niet het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij de minor Risico- en crisiscommunicatie, ondanks dat deze als niet toegestaan op de toestemmingslijst stond, als onderdeel van haar opleiding Bedrijfskunde mocht volgen. Een uitlating met deze inhoud is haar immers niet gedaan. Dat zij er niet op is gewezen dat deze minor als niet toegestaan op de toestemmingslijst stond, kan niet met een dergelijke uitlating worden gelijkgesteld.
Verder noopten de omstandigheden van dit geval de examencommissie niet om voor appellante een uitzondering te maken. De examencommissie heeft ter zitting van het College toegelicht dat een toestemmingslijst namens de examencommissie door de minorcoördinator wordt vastgesteld. Het is niet goed denkbaar dat de examencommissie ten aanzien van een minor waarvan bij het vaststellen van de toestemmingslijst al is besloten dat het volgen ervan niet is toegestaan, toch toestemming voor het volgen ervan verleent, zeker niet als pas achteraf om toestemming wordt verzocht. Persoonlijke omstandigheden die het maken van een uitzondering zouden kunnen rechtvaardigen, heeft appellante niet aangevoerd, aldus de examencommissie. Het College kan de examencommissie in deze toelichting volgen. Hierbij acht het College van belang dat appellante geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan het niet vooraf raadplegen van de toestemmingslijst en het niet vooraf om toestemming verzoeken verschoonbaar moeten worden geacht. Dat appellante het druk had, omdat zij haar studie met werk moest combineren, is niet een dergelijke omstandigheid. Verder gaat het College ervan uit dat appellante, zoals verweerder in zijn verweerschrift heeft toegelicht, na afronding van de minor Risico- en crisiscommunicatie in januari 2019 gedurende de rest van het studiejaar nog gelegenheid had een studieachterstand te voorkomen of te beperken, maar dat zij geen actie in die richting heeft ondernomen. Gelet op al het voorgaande mocht de examencommissie de studieachterstand van appellante voor haar risico laten. Dat het voor het studiejaar 2019-2020 voor studenten Bedrijfskunde is toegestaan een tot op zekere hoogte met de minor Risico- en crisiscommunicatie vergelijkbare minor te volgen, doet er niet aan af dat het voor het studiejaar 2018-2019 uitdrukkelijk niet was toegestaan de minor Risico- en crisiscommunicatie te volgen. Ten slotte hoefde de examencommissie de door appellante bedoelde adviezen niet te volgen. De examencommissie mocht hierbij in aanmerking nemen dat dat de huidige minorcoördinator noch de opleidingscoördinator betrokken was bij het vaststellen van de toestemmingslijst voor het studiejaar 2018‑2019.
Het betoog faalt.