Uitspraak CBHO 2019/207

Bestreden beslissing:

De verdediging van het afstudeerwerk is met een onvoldoende beoordeeld. De examencommissie heeft de gevraagde herkansing niet toegekend.

Het CBE van de Hogeschool Rotterdam heeft het administratief beroep tegen de beslissingen deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.3. In de Modulewijzer Afstudeeronderzoek FM 2018/2019 (hierna: de modulewijze) is als tijdschema voor een afstudeerzitting opgenomen dat de introductie en verdediging 30 minuten duurt, waarvan 10 minuten introductie betreft. In het beoordelingsformulier van 5 februari 2019 wordt vermeld dat de commissie de zitting heeft verlengd om de student een optimale mogelijkheid te geven haar kennis en inzicht te tonen. Uit een e-mail aan het CBE van 5 september 2019 blijkt dat de examencommissie nadere inlichtingen over de gang van zaken rond de verdediging heeft gegeven. De examencommissie heeft verklaard dat de tijd die aan appellante ter beschikking stond voor haar verdediging is verlengd tot 30 á 35 minuten. Tijdens de hoorzitting bij de examencommissie op 23 mei 2019 heeft appellante verklaard dat de verdediging om ongeveer 13.35 uur begon en vóór 14.00 uur is beëindigd. Gelet op deze, door appellante zelf verstrekte gegevens, is aannemelijk dat de verdediging van appellante in overeenstemming met de modulewijze twintig minuten heeft geduurd en dat zij voldoende tijd heeft gekregen om haar afstudeerverslag te verdedigen. Het betoog van appellante dat het wachten op de aanvang van de afstudeerzitting bij haar zoveel spanningen teweeg heeft gebracht dat zij daardoor geen eerlijke kans heeft gehad, heeft zij niet nader gestaafd. Daargelaten of de zitting te laat is begonnen, heeft het CBE dan ook terecht overwogen dat appellante, gelet op de verlenging van de afstudeerzitting, niet aannemelijk gemaakt dat zij door de gang van zaken rond haar verdediging is benadeeld.

Appellante heeft toegelicht dat volgens haar de beoordelingsvoorschriften door de examinatoren onvoldoende zijn nageleefd, omdat het beoordelingsformulier afwijkt van het voorgeschreven antwoordmodel. Volgens appellante heeft de afstudeercommissie in strijd met het antwoordmodel nagelaten haar ontwikkeling te beoordelen. Ter zitting bij het College heeft het CBE toegelicht dat het antwoordmodel niet zozeer een antwoordmodel als wel een richtlijn is, die handvatten biedt voor de beoordeling. Dit model dient ertoe dat examinatoren alle relevante aspecten bij hun beoordeling in aanmerking nemen. Anders dan appellante betoogt, schrijft het antwoordmodel niet dwingend voor dat de examinatoren alleen door gebruikmaking van dat model tot een zorgvuldige beoordeling kunnen komen. Hoewel de opzet van het beoordelingsformulier anders is dan het antwoordmodel, volgt hieruit wel dat de beoordeling alle volgens het antwoordmodel te waarderen aspecten van de verdediging omvat.

Appellante heeft verzocht om vervanging van een examinator, omdat zij de vraagstelling en beoordeling door die examinator bij een eerdere poging als vervelend heeft ervaren. Appellante heeft geen andere redenen aangevoerd. Het CBE heeft ter zitting toegelicht dat examinatoren kunnen worden vervangen, onder andere als sprake is van een conflict, dat ten koste gaat van een objectieve beoordeling. In dit geval was daarvan geen sprake. Gelet hierop heeft het CBE terecht overwogen dat examinatoren uit hoofde van hun aanstelling worden verondersteld kundig te zijn en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen.

Gelet op het voorgaande betoogt appellante naar het oordeel van het College ten onrechte dat de beoordeling van de verdediging van haar afstudeerwerk door de examinatoren onzorgvuldig tot stand is gekomen. Derhalve heeft het CBE terecht geoordeeld dat de examencommissie deugdelijk heeft gemotiveerd dat in dit geval aanleiding bestaat de beslissing van de examinatoren in stand te laten en het verzoek van appellante om herkansing van de verdediging van haar afstudeerwerk af te wijzen.

Het betoog faalt.