Uitspraak in zaak 2019/181

Bestreden beslissing:

Omdat zij zich niet tijdig op de juiste wijze heeft aangemeld is appellante niet toegelaten tot de selectieprocedure voor de opleiding Artificial Intelligence.

Het college van bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen heeft het bezwaar van appellant tegen de weigering ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing van het college van bestuur heeft appellante beroep ingesteld bij het College.

Beroep niet-ontvankelijk; verzoek om schadevergoeding afgewezen

Hoofdoverwegingen:

Beoordeling beroep

2.4. Ten aanzien van het procesbelang heeft appellante opgemerkt dat zij niet langer voornemens is om te studeren aan de Rijksuniversiteit Groningen. Verder heeft zij toegelicht dat zij zich realiseert dat het voor haar niet meer mogelijk om in te stromen in het studiejaar 2019-2020. Gelet hierop heeft appellante geen belang meer bij beoordeling van het beroep tegen de beslissing van het College van 2 oktober 2019. Het beroep is niet‑ontvankelijk.

Beoordeling verzoek om schadevergoeding

2.5. Zoals uit artikel 8:88, eerste lid, van de Awb volgt, dient de schade samen te hangen met één van de onder a tot en met d van die bepaling opgesomde omstandigheden.

Wat betreft de rechtmatigheid van de beslissing op bezwaar van  

2 oktober 2019, waarbij de beslissing van 10 juli 2019 om het verzoek van appellante van 1 juli 2019 om inschrijving voor de bacheloropleiding Artificial Intelligence af te wijzen is gehandhaafd, overweegt het College als volgt.

2.6. Op 27 december 2018 heeft appellante zich via Studielink aangemeld voor de bacheloropleiding Artificial Intelligence. Op 9 januari 2019 heeft zij hiervan per e-mail een bevestiging ontvangen. Bij e-mail van 23 januari 2019 heeft de Centrale Studenten Administratie (hierna: de CSA) aan appellante laten weten dat zij zich heeft aangemeld voor de bacheloropleiding Artificial Intelligence met startdatum 1 februari 2019, maar dat deze opleiding niet start op deze datum. Het CSA adviseert daarom om de aanmelding te annuleren en opnieuw een juiste aanmelding via Studielink in te dienen. Op 1 februari 2019 heeft appellante aan het CSA per e-mail laten weten dat zij inderdaad beoogt te beginnen met de studie per 1 september 2019 en dat zij heeft geprobeerd alsnog de goede aanmelding af te ronden, maar dat zij er achter kwam dat de aanmelddeadline inmiddels is verstreken. Hierop heeft appellante een standaardontvangstbevestiging ontvangen met de mededeling dat een reactie wat langer kan duren in verband met de aanmelddeadline voor opleidingen van de faculteit Geneeskunde. In een e-mail van 5 februari 2019 heeft het CSA aan appellante laten weten dat zij alsnog een verzoek tot inschrijving moet indienen en is daartoe een link opgenomen. Verder is vermeld dat de aangewezen afdeling zal beslissen of zij, ondanks dat het verzoek na de aanmelddeadline wordt ingediend, alsnog kan worden toegelaten tot de selectieprocedure. Op 26 juni 2019 heeft de moeder van appellante per e-mail contact opgenomen met het CSA. Op 1 juli 2019 heeft appellante een verzoek om aanmelding voor de bachelorstudie Artificial Intelligence per 1 september 2019 ingediend. Dit verzoek is bij beslissing van 10 juli 2019 afgewezen, omdat dit verzoek dateert van na de aanmelddeadline op 15 januari 2019 en het verzoek evenmin voldoet aan de in artikel 3, derde lid, van het Reglement neergelegde voorwaarden.

2.7. Ter zitting bij het College heeft het CBE toegelicht dat het mogelijk was om een aanmelding voor de studie Artificial Intelligence per 1 februari 2019 in te dienen, omdat dit geldt als een instroommoment voor studenten die eerder de studie hebben gevolgd. Gelet hierop kan het betoog van appellante dat het ten onrechte mogelijk was om zich per die datum aan te melden omdat het niet mogelijk is om per die datum met de studie te starten, niet worden gevolgd. Vaststaat dat appellante zich niet voor het einde van de aanmelddeadline op 15 januari 2019 heeft aangemeld voor de bacheloropleiding Artificial Intelligence per 1 september 2019. Daarmee heeft appellante zich niet in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, van het Reglement tijdig aangemeld.

Dat appellante pas op 23 januari 2019, dus na het einde van de aanmelddeadline, is bericht dat haar aanmelding op 27 december 2018 niet betrekking heeft op de juiste startdatum, leidt niet tot de conclusie dat als gevolg hiervan aan het CvB moet worden toegerekend dat zij niet is toegelaten tot de selectieprocedure. In artikel 3, derde lid, van het Reglement zijn voorwaarden opgenomen waaronder een verzoek om aanmelding dat dateert van na de aanmelddeadline toch kan leiden tot toelating tot de selectieprocedure en deze zijn niet door appellante nageleefd.

Bij e-mail van 5 februari 2019 heeft het CSA aan appellante laten weten dat zij zich alsnog diende aan te melden voor de studie met de juiste startdatum. Hoewel mogelijk de in die e-mail opgenomen link niet werkte, had het op de weg van appellante gelegen om alsnog te proberen zo spoedig mogelijk een voor behandeling vatbaar verzoek tot inschrijving in te dienen. Met telefoonfacturen heeft appellante gestaafd dat zij na het bericht van 5 februari 2019 op 20 februari 2019 en 11 maart 2019 telefonisch contact heeft gehad met de afdeling Communicatie van de RUG. Verder heeft appellante gesteld dat zij op 6 februari 2019 bij de balie van de CSA heeft gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot haar aanmelding, maar dat zij niet inhoudelijk te woord is gestaan. Hoewel aldus uit de door appellante overgelegde stukken blijkt dat zij op verschillende momenten contact heeft gehad met de RUG, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij daarbij een concreet verzoek om inschrijving heeft ingediend en evenmin dat zij daartoe vanwege haar gezondheidssituatie en de taalbarrière niet in staat was. Pas op 29 juni 2019 heeft de moeder van appellante weer contact met de CSA opgenomen en op 1 juli 2019 heeft appellante een verzoek om aanmelding ingediend. Zoals het CvB heeft toegelicht, was op de website van de RUG duidelijk vermeld dat de selectieprocedure van de bacheloropleiding Artificial Intelligence zou plaatsvinden in maart 2019 en dat de uitslag hiervan zou worden medegedeeld op 15 april 2019. Appellante had zich kunnen realiseren dat zij bij aanmelding na afloop van die periode niet meer aan die procedure zou kunnen deelnemen. Dat zij op dat moment nog niet over de definitieve eindexamenuitslag kon beschikken doet daar niet aan af. Gelet op het voorgaande betoogt appellante ten onrechte dat het aan het CvB is te wijten dat zij niet tijdig dan wel zo spoedig mogelijk na 5 februari 2019 een verzoek om inschrijving voor de bacheloropleiding Artificial Intelligence heeft kunnen indienen.

Naar het oordeel van het College, is de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2019, waarbij de beslissing van 10 juli 2019 om het verzoek van appellante van 1 juli 2019 om inschrijving voor de bacheloropleiding Artificial Intelligence af te wijzen is gehandhaafd, dan ook niet onrechtmatig en dient het verzoek om schadevergoeding derhalve te worden afgewezen.