Uitspraak in zaak 2019/205/CBE

Bestreden beslissing:

De examinator heeft de essayopdracht Strafrecht met een onvoldoende beoordeeld.

Het CBE van de Radboud Universiteit Nijmegen heeft het administratief beroep tegen de beoordeling ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.2.1. Voor de beoordeling of de beslissing van verweerder van 14 oktober 2019 in stand kan blijven, is het volgende toetsingskader van belang. Ingevolge artikel 7.66, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW), gelezen in verbinding met artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een beoordeling van het kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Deze bepalingen staan eraan in de weg dat door het instellen van beroep tegen een beslissing van een college van beroep voor de examens een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een beslissing die als zodanig van bestuursrechtelijke rechtsbescherming is uitgezonderd. Dit betekent dat het College slechts kan onderzoeken of verweerder terecht de vaststelling van het cijfer in stand heeft gelaten, omdat bij de beoordeling is voldaan aan de voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb, de WHW of enig andere wet in formele zin zijn gesteld.

2.2.2. Verweerder heeft in overweging 3.1 van zijn beslissing van 14 oktober 2019 overwogen dat de beslissing van de examinator slechts voor vernietiging in aanmerking komt indien deze in strijd is met de bij of krachtens de Structuurregeling van de Radboud Universiteit Nijmegen geldende regels dan wel met de redelijkheid en billijkheid. Verweerder heeft, zo heeft hij overwogen, slechts een marginaal toetsende taak en hij toetst of de beoordeling voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en of zij genoegzaam is onderbouwd. Zoals het College eerder heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 18 juli 2018 in zaak nr. CBHO 2018/051 (www.cbho.nl), heeft verweerder hiermee geen onjuiste toetsingsmaatstaf aangelegd. Het College ziet in hetgeen appellant ter zitting van het College heeft aangevoerd, geen aanleiding om hier nu anders over te denken. De beslissing van verweerder van 14 oktober 2019 komt op het punt van de toetsingsmaatstaf dan ook niet voor vernietiging in aanmerking.

2.2.3. Wat betreft het betoog van appellant dat de beslissing van verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen, overweegt het College als volgt. Verweerder heeft aan de hand van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting uitvoerig overwogen dat hij geen aanleiding ziet om de beslissing van de examinator te vernietigen. Daarbij heeft hij gemotiveerd dat de nieuwe aan appellant verstrekte essayopdracht voldoende duidelijk is geformuleerd en voldoet aan de omschrijvingen opgenomen in de cursusbeschrijving en de richtlijnen essays. Het was, aldus verweerder, voor appellant dan ook mogelijk om een essay te schrijven op basis van de verstrekte opdracht en conform de daarvoor geldende richtlijnen. Verder heeft verweerder gemotiveerd dat hij de examinator volgt in het standpunt dat het door appellant ingeleverde essay niet aan de verstrekte opdracht voldoet en dat dit al bij de eerste beoordeling van het essay aan appellant is gecommuniceerd. Omdat appellant ervoor heeft gekozen om het onderwerp in de tweede versie van het essay niet aan te passen, heeft verweerder in navolging van de examinator vastgesteld dat hij niet heeft voldaan aan de aan hem verstrekte opdracht. Appellant heeft, aldus verweerder, op eigen initiatief een ander onderwerp in zijn essay behandeld en om die reden heeft verweerder de beslissing van de examinator in stand gelaten. Daarbij heeft verweerder de twee beoordelingen van de examinator betrokken en de uitgebreide reactie van de examinator op het administratief beroepschrift van appellant. Niet valt in te zien dat de beslissing van verweerder van 14 oktober 2019 onzorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Ter zitting van het College heeft appellant benadrukt dat de nieuwe essayopdracht niet het niveau van Ba2 had. Appellant heeft hierbij gewezen op het schema, opgenomen in de Richtlijnen essays, waarin als leerdoel staat het formuleren van een probleemstelling. Daarbij staat ook dat de probleemstelling wordt gesuggereerd, maar zelfstandig moet worden aangescherpt tot een volwaardige probleemstelling. Verweerder heeft zich naar het oordeel van het College op het standpunt kunnen stellen dat de essayopdracht, waarin een probleemstelling wordt gesuggereerd in het kader van de aanmerkelijke kans, over de vraag of de in het arrest gegeven nadere algemene aanknopingspunten in lijn zijn met zijn eerdere jurisprudentie en in hoeverre die zich lenen voor algemene toepassing, voldoet aan het in het schema opgenomen leerdoel. Het College ziet gelet op het voorgaande dan ook geen aanleiding om de beslissing vanwege een zorgvuldigheidsgebrek te vernietigen.

2.2.4. Het College volgt evenmin het betoog van appellant dat verweerder het administratief beroep gegrond had moeten verklaren, omdat een nieuw cijfer voor het vak is ingevoerd. Verweerder heeft hierover in zijn verweerschrift uiteengezet dat appellant tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht dat in Osiris het cijfer 4,0 van de eerste beoordeling van het essay nog niet was veranderd naar het cijfer 4,5 van de tweede beoordeling. Op 14 oktober 2019 is het cijfer 4,5 alsnog in Osiris ingevoerd, aldus verweerder. Volgens verweerder is destijds per ongeluk het cijfer 4,5 als extra cijfer ingevoerd, terwijl het cijfer 4,0 had moeten worden gewijzigd in het cijfer 4,5. Dat per ongeluk een onjuiste uitvoering is gegeven aan de beslissing van de examinator door het cijfer 4,5 als extra cijfer in Osiris te registreren, raakt echter niet aan de rechtmatigheid van de beslissing van de examinator en de instandlating daarvan door verweerder.