Uitspraak in zaak 2019/208/CBE

Bestreden besluit:

De teamleider heeft namens de directeur en het instellingsbestuur aan appellante een bindend negatief studieadvies verstrekt.

Het CBE van Hogeschool Inholland de heeft het administratief beroep van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

itspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4. Appellante betoogt ten onrechte dat de beslissing van 29 juli 2019 niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat daarbij niet het advies van de studentenbegeleider is betrokken. Het CBE heeft in het verweerschrift bij het College toegelicht dat bindende studieadviezen worden besproken met het studententeam, waarvan de studentenbegeleider deel uitmaakt. Verder heeft de domeindirecteur, in overeenstemming met artikel 82 van de OER, het advies van het studentendecanaat van 15 juli 2019 in aanmerking genomen bij de beslissing om het BNSA te geven.

In artikel 63 van de OER is bepaald dat, indien als gevolg van persoonlijke omstandigheden, tijdens of aan het einde van het tweede jaar van inschrijving geen bindend studieadvies is verstrekt, maar opnieuw een waarschuwing met termijn, de domeindirecteur alsnog aan het eind van de in de brief gestelde termijn een bindend studieadvies uitbrengt. Nu dit artikel ruimte laat om ook na het tweede studiejaar een nadere termijn te stellen en daarin geen uiterste termijn is opgenomen, kan hieruit naar het oordeel van het College niet worden afgeleid dat het geven van een BNSA aan het einde van het vierde studiejaar strijdig is met dit artikel. Aangezien eerder drie maal een BNSA aan appellante is gegeven, maar op haar uitdrukkelijke verzoek alsnog drie maal uitstel van de termijn voor een bindend studieadvies is gegeven, valt evenmin in te zien dat het geven van een BNSA aan het einde van het vierde studiejaar in dit geval in strijd is met de verwijzende functie van het BNSA. In dit verband wordt gewezen op artikel 7.8b, tweede lid, van de WHW, waarin geen uiterste termijn is gesteld waarbinnen het bindend studieadvies moet zijn gegeven. Gelet hierop betoogt appellante ten onrechte dat voor de domeindirecteur in het vierde studiejaar geen bevoegdheid meer bestond om een BNSA te geven.

Vaststaat dat appellante 45 studiepunten van het eerste studiejaar heeft behaald en daarmee niet heeft voldaan aan de norm bedoeld in artikel 56 van de OER. Bovendien heeft appellante slechts 18 studiepunten uit het tweede studiejaar behaald en heeft zij in het vierde studiejaar geen studiepunten uit het eerste studiejaar gehaald en drie studiepunten uit het tweede studiejaar.

Niet in geschil is dat de door appellante ingebrachte persoonlijke omstandigheden haar studieresultaten in eerdere studiejaren negatief hebben beïnvloed. Naar het oordeel van het College heeft het CBE zich evenwel op het standpunt kunnen stellen dat deze omstandigheden in het vierde studiejaar niet zodanig zwaarwegend zijn dat deze het tekort aan studiepunten in deze omvang kunnen verklaren. Daarbij heeft het CBE terecht betrokken dat in het advies van het studentendecanaat van 15 juli 2019 is opgemerkt dat de persoonlijke omstandigheden van appellante onvoldoende de door haar behaalde studieresultaten gedurende het gehele studiejaar verklaren. Verder heeft het CBE terecht in aanmerking genomen dat appellante aan het einde van de eerste drie studiejaren een BNSA is gegeven, maar dat appellante daartegen telkens is opgekomen en dat in de door appellante aangevoerde omstandigheden iedere keer aanleiding is gezien om in een minnelijke schikking aan appellante een uitgestelde termijn voor het halen van haar propedeuse te stellen.

Het College ziet voorts geen grond voor het oordeel dat zich een geval voordoet waarin sprake is van onevenredige benadeling of onbillijkheid van overwegende aard op grond waarvan de directeur aanleiding had moeten zien de hardheidsclausule toe te passen.

Gelet op het voorgaande heeft het CBE naar het oordeel van het College het BNSA terecht in stand gelaten.

Het betoog faalt.