Uitspraak in zaak 2019/216/CBE

Bestreden beslissing:

De examencommissie van Tilburg Law School heeft namens de decaan aan appellante een bindend negatief studieadvies verstrekt.

Het CBE van de Universiteit van Tilburg heeft het administratief beroep van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.6. Met het CBE is het College van oordeel dat de examencommissie aan appellante een bindend negatief studieadvies heeft mogen verstrekken. Het College stelt vast dat de door appellante aangevoerde persoonlijke omstandigheden, omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 31, lid 3.1, sub b, van de OER. Daarmee is echter niet gezegd dat deze omstandigheden aanleiding hadden moeten geven af te zien van het verstrekken van een bindend negatief studieadvies. De examencommissie heeft de ten tijde van de beslissing bekende persoonlijke omstandigheden bij de besluitvorming betrokken, maar komt tot de conclusie dat een causaal verband ontbreekt tussen de aangevoerde omstandigheden en het niet hebben behaald van de benodigde studiepunten. Deze conclusie acht het College niet onredelijk. Appellante heeft ter zitting uitgelegd dat zij een gematigde variant van de erfelijke aandoening bèta thalassemie heeft en dat daar, naast gezond leven, niets aan te doen is. Uit de door appellante overgelegde verklaring van de huisarts blijkt verder dat bèta thalassemie minor vermoeidheidsklachten kan geven. De examencommissie heeft zich op basis hiervan in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat deze omstandigheden niet verklaren dat appellante slechts 12 studiepunten heeft behaald. De psychologische rapportage van november 2019 maakt dit oordeel niet anders. Het College acht aannemelijk dat de geconstateerde persoonlijke omstandigheden van appellante haar studieresultaten nadelig hebben beïnvloed, maar deze kunnen het gebrek aan studievoortgang niet voldoende verklaren.