Uitspraak in zaak CBHO 2019/204 CBE

Bestreden beslissing: 

Op het verzoek tot inzage in gemaakte toetsen heeft de examencommissie afwijzend beslist.

Het college van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft het administratief beroep van appellant tegen de weigering deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4. Artikel 7.13, eerste lid, in samenhang gelezen met het tweede lid, aanhef en onder q, van de WHW, verplicht het instellingsbestuur een onderwijs- en examenregeling vast te stellen en daarin onder meer vast te leggen de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van vragen en opdrachten, gesteld of gegeven in het kader van een schriftelijk afgenomen tentamen en van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden. Het bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft ter invulling hiervan artikel 7.5 in de OER opgenomen. Die invulling is naar het oordeel van het College onvolledig. Artikel 7.5 van de OER voorziet immers niet in de mogelijkheid om kennis te nemen van de vragen van een afgenomen bloktoets en van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden. Het College volgt verweerder niet in zijn ter zitting van het College ingenomen standpunt dat de bloktoets niet kan worden aangemerkt als een tentamen als bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder q, omdat de bloktoets slechts een deeltoets is en het resultaat van de bloktoets alleen in combinatie met het resultaat van een andere deeltoets tot een eindcijfer voor het tentamen leidt. Juist omdat het resultaat van de deeltoets mede bepalend is voor het eindcijfer voor het tentamen is het College van oordeel dat de bloktoets als onderdeel van een tentamen moet worden aangemerkt, waarop het in artikel 7.13, tweede lid, onder q, vermelde inzagerecht betrekking heeft. Het College volgt verweerder evenmin in zijn in zijn verweerschrift en ter zitting van het College ingenomen standpunt dat het instellingsbestuur bij de vaststelling van artikel 7.5 is gebleven binnen zijn vrijheid om invulling te geven aan de in artikel 7.13 van de WHW neergelegde verplichtingen. De vrijheid die artikel 7.13, tweede lid, aanhef en onder q, het instellingsbestuur biedt, is beperkt tot de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennisneming plaatsvindt, en strekt niet zover dat in het geheel niet voorzien hoeft te worden in de mogelijkheid om inzage in vragen en beoordelingsnormen te verlenen. Dat er, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, didactische redenen zouden zijn om pas na het niet halen van de herkansing voor de bloktoets inzage te verlenen, rechtvaardigt niet het onvolledig invulling geven aan de betreffende in de WHW neergelegde verplichting. Dit betekent dat het inzageverzoek van 22 juni 2019 niet op grond van artikel 7.5 van de OER mocht worden afgewezen.
Het betoog slaagt.