Uitspraak in zaak 2019/156

Bestreden beslissing:

Aan appellant is de toegang tot de gebouwen en terreinen van de universiteit definitief ontzegd.

Het college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft het bezwaar tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen die beslissing heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: Gegrond

Hoofdoverwegingen:

De beoordeling door het college

  1. Procesbelang

2.4. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Volgens verweerder heeft appellant zich niet ingeschreven voor een andere studie en heeft hij evenmin concreet gemeld van plan te zijn om zich daarvoor in te schrijven. Het staat appellant bovendien vrij een opleiding aan een andere onderwijsinstelling te volgen, aldus verweerder.

2.4.1. Het College volgt dit standpunt niet. De definitieve ontzegging van de toegang tot de gebouwen en terreinen heeft tot gevolg dat appellant geen enkele opleiding meer kan volgen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en dat hij daardoor in zijn keuze voor onderwijsinstellingen wordt beperkt. Dat appellant zich nog niet heeft ingeschreven voor een andere opleiding, of concreet heeft gemeld dat van plan te zijn, maakt dit niet anders. Daar komt bij dat tot op zekere hoogte aannemelijk is dat appellant als gevolg van een beslissing als hier aan de orde, gelet op de gronden waarop deze wordt opgelegd, in zijn eer en goede naam is aangetast (zie naar analogie overwegingen 3.1 en 3.2 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:359).

  1. De definitieve ontzegging van de toegang

2.5. Uit de toelichting op artikel 7.57h van de WHW (Kamerstukken II, 2008/09, 31 821, nr. 3, p. 63 e.v.) volgt dat het instellingsbestuur kan besluiten tot een definitieve verwijdering. Deze maatregel moet – zoals bij alle sancties – de toets van de proportionaliteit kunnen doorstaan. De periode van verwijdering (en dus ook de eventuele definitieve verwijdering) moet in verhouding staan tot de ernst van de overtreding. Het is aan het instellingsbestuur om dit te motiveren. Als het instellingsbestuur op grond van het tweede lid gebruik maakt van de mogelijkheid een student permanent te verwijderen of zijn inschrijving te beëindigen, dan dient het college van bestuur de student eerst een aanmaning te geven en een reële mogelijkheid te bieden om ander gedrag te vertonen. Het openen van de mogelijkheid om een student voor langere tijd te verwijderen is in bijzondere gevallen bij ernstige overlast noodzakelijk, aldus de wetsgeschiedenis van artikel 7.57h van de WHW.

2.5.1. Het College heeft eerder overwogen dat het opleggen van een maatregel op grond van artikel 7.57h van de WHW geen punitief karakter heeft, gericht op leedtoevoeging, maar dat het een ordemaatregel is ten behoeve van het verzekeren van de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling van een hogeschool of universiteit teneinde een bevorderlijk onderwijsklimaat tot stand te brengen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van  

1 augustus 2011, in zaak nr. 2011/059 (www.cbho.nl).

2.5.2. Verweerder heeft aan zijn beslissing van 17 mei 2018, waarbij hij appellant de toegang tot gebouwen en terreinen heeft ontzegd, dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd als aan de beëindiging van de inschrijving van appellant voor de opleiding Geneeskunde op grond van artikel 7.42a van de WHW. Over de gedragingen en uitlatingen van appellant die verweerder aan deze laatste beslissing ten grondslag heeft gelegd, heeft het College in zijn uitspraak van heden in zaak nr. 2019/171 geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze niet hebben plaatsgevonden. De vraag die dus moet worden beantwoord, is of verweerder appellant op grond van deze gedragingen en uitlatingen in redelijkheid definitief de toegang tot de instelling heeft kunnen ontzeggen.

2.5.3. Met de gedragingen en uitlatingen die verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, heeft appellant volgens verweerder de voorschriften neergelegd in artikel 1, eerste lid, onder a, b en d, van de Regeling, gegeven ter uitwerking van artikel 7.57h van de WHW, niet nageleefd. Vaststaat evenwel, dat de meeste gedragingen en uitlatingen niet hebben plaatsgevonden binnen de gebouwen en terreinen van de instelling zelf en dat de gestelde ernstige overlast zich daar niet voordeed. De gedragingen en uitlatingen hebben goeddeels plaatsgevonden in de ziekenhuizen waar appellant zijn coschappen liep of hielden verband met personen en begeleiders die aan die desbetreffende ziekenhuizen zijn verbonden. Dat geldt ook voor de gedraging die verweerder appellant het zwaarst aanrekent, te weten de seksuele intimidatie dan wel bedreiging van een leerling-verpleegkundige. 

2.5.4. De vaststelling dat de gedragingen en uitlatingen van appellant elders hebben plaatsgevonden en dat de ernstige overlast zich niet binnen de gebouwen dan wel de terreinen van de Erasmus Universiteit voordeed, leidt er naar het oordeel van het College toe dat verweerder niet bevoegd is om appellant op grond van artikel 7.57h, tweede lid, van de WHW de toegang tot de instelling definitief te ontzeggen. Artikel 7.57h, tweede lid, van de WHW gaat uit van een plaatsgebonden criterium, waarbij de bevoegdheid tot het definitief ontzeggen van de toegang uitsluitend ontstaat in geval van ernstige overlast binnen de gebouwen en terreinen van de instelling. Het College kan de tekst van het tweede lid van deze bepaling niet anders opvatten dan dat het moet gaan om ernstige overlast die uitwerking heeft binnen de gebouwen en terreinen van de instelling. Dat volgt ook uit het eerste lid van deze bepaling, waarin staat dat het moet gaan om voorschriften en maatregelen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. Verweerder heeft geen zeggenschap over de goede gang van zaken in gebouwen en terreinen van organisaties en instellingen, waarmee in het kader van het onderwijs binnen een opleiding samengewerkt wordt. Het College aanvaardt derhalve niet de stelling van verweerder dat de onderwijsomgeving als bedoeld in artikel 7.57h, tweede lid, van de WHW behalve de gebouwen en de terreinen van de instelling genoemd in artikel 7.57h van de WHW ook de academische gemeenschap in brede zin omvat, dat het gedrag van appellant zijn weerslag heeft op die academische gemeenschap en dat verweerder om die reden bevoegd is om appellant definitief de toegang te ontzeggen. Daarmee gaat verweerder, anders dan in de tekst van artikel 7.57h, tweede lid, van de WHW staat, uit van een te ruim criterium. 

2.5.5. De conclusie is gelet op het voorgaande dat verweerder niet bevoegd is appellant de definitieve toegang tot de gebouwen en terreinen van de instelling te ontzeggen.