Uitspraak in zaak 2019/171

Bestreden beslissing:

Aan appellant is een iudicium abeundi  verstrekt.

Het college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft het bezwaar tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing op bezwaar heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: gegrond, rechtsgevolgen in stand gelaten 

Hoofdoverwegingen:

De beoordeling door het college

2.4. Op grond van artikel 7.63a, derde lid, van de WHW moet de geschillenadviescommissie nagaan of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is. In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit blijkt dat de geschillenadviescommissie dat is nagegaan. Ter zitting van het College heeft verweerder daarover verklaard dat het dossier lijvig is, appellant meerdere keren de gelegenheid heeft gehad om zijn gedrag te verbeteren en dat een minnelijke schikking, ook gelet op de voorgeschiedenis van de procedure, niet voor de hand of lag. Dat standpunt van verweerder laat echter onverlet dat de verplichting om na te gaan of een minnelijke schikking mogelijk is, nu eenmaal in artikel 7.63a, derde lid, van de WHW is opgenomen. Omdat niet aan die verplichting is voldaan, ziet het College aanleiding om het beroep van appellant gegrond te verklaren. De beslissing van 23 september 2019 dient te worden vernietigd. Het College ziet echter reden om de rechtsgevolgen van die beslissing in stand te laten. Gegeven de overwegingen hieronder, zou het in acht nemen van de juiste procedure (inclusief een poging tot minnelijke schikking) niet tot een ander resultaat hebben geleid. Daarbij is het volgende van belang.

[…]

2.6.1. Het College ziet, anders dan appellant betoogt, geen aanleiding voor het oordeel dat deze gedragingen en uitlatingen van appellant niet hebben plaatsgevonden. Over de incidenten die zich hebben voorgedaan in 2014 in het Reinier de Graaf Ziekenhuis, bevindt zich in het dossier een gespreksverslag van dr. Borst. Daarin is een beschrijving opgenomen van het incident, waarbij appellant onbevoegd opdracht heeft gegeven om medicijnen toe te dienen. Uit dat verslag volgt ook dat appellant op eigen initiatief en tot ongenoegen van de patiënte met collega-coassistenten naar haar is teruggegaan, omdat zij een interessante patiënte was. Appellant heeft in bezwaar een brief overgelegd, waarin staat dat het voorval over de onbevoegde opdracht tot het toedienen van medicatie onjuist is beschreven. Die brief is onvoldoende om niet van het – zowel door dr. Borst als appellant ondertekende – gespreksverslag uit te gaan. De door appellant overgelegde brief is getypt, ongedateerd, niet voorzien van een “natte” handtekening en zou afkomstig zijn van “Coassistenten interne geneeskunde”. Anders dan appellant betoogt, mocht verweerder de in het gespreksverslag omschreven voorvallen betrekken bij zijn beoordeling. Niet valt in te zien dat deze voorvallen niet zien op de inzet van appellant tijdens het coschap. Verweerder heeft bovendien bij zijn beoordeling mogen betrekken dat appellant zich onder meer heeft voorgedaan als promovendus. Dat appellant alleen aan zijn ex-vriendin heeft verteld dat hij promovendus is dan wel alleen via social media een bepaalde hashtag heeft gebruikt, heeft verweerder, gelet op de e-mails van verschillende medewerkers van het Elisabeth-Tweesteden Ziekenhuis die in het dossier zitten, terecht niet aannemelijk geacht. 

2.6.2. Verweerder heeft deze hiervoor onder 2.6 en 2.6.1 omschreven gedragingen, mede bezien in het licht van artikel 47 van de Wet BIG, als laakbaar kunnen aanmerken. Over het antwoord op de vraag of verweerder, gelet op deze gedragingen, in redelijkheid van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 7.42a van de WHW gebruik heeft kunnen maken, overweegt het College als volgt.

Het gebruik van de in artikel 7.42a van de WHW neergelegde bevoegdheid

2.7. Het samenstel van gedragingen dat verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, heeft verweerder naar het oordeel van het College in redelijkheid tot de conclusie kunnen brengen dat appellant door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de door hem gevolgde opleiding hem opleidt. Het standpunt van appellant dat verweerder hem de gedragingen te zwaar aanrekent, in het bijzonder de voorvallen van seksuele intimidatie en het onbevoegd geven van een opdracht tot het toedienen van medicatie, deelt het College niet. Verweerder heeft in dit kader geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen aan de rapportage van dr. Hengeveld. Die rapportage dateert van een aantal jaren terug en daarbij zijn de meer recente incidenten niet betrokken. Bovendien heeft verweerder, na het advies van de decaan en de examencommissie, geen aanleiding hoeven zien om dr. Hengeveld opnieuw te raadplegen. De hiervoor genoemde voorvallen, mede bezien in het licht van de overige gedragingen en uitlatingen van appellant, heeft verweerder dusdanig laakbaar kunnen achten dat deze in redelijkheid de definitieve beëindiging van de inschrijving voor de opleiding rechtvaardigen. Zoals uit overweging 2.5.2 volgt, is hierbij niet doorslaggevend dat de gedragingen van appellant in tuchtrechtelijk opzicht zouden leiden tot een ontzegging van de bevoegdheid het beroep uit te oefenen en de doorhaling van de inschrijving in het BIG-register. De ter zitting van het College aangehaalde tuchtrechtelijke uitspraken, die volgens appellant gaan over ernstigere gedragingen en niet hebben geleid tot de zwaarste tuchtrechtelijke sanctie, leiden daarom niet tot het beoogde doel. 

2.7.1. Naar het oordeel van het College heeft verweerder het belang van appellant bovendien zorgvuldig gewogen en dat belang niet doorslaggevend hoeven achten. De examencommissie heeft in totaal elf gesprekken met appellant gevoerd en hem meerdere keren in de gelegenheid gesteld om de coschappen, na een schorsing, te hervatten. Daarbij is bovendien van belang dat aan appellant een verbeteringstraject is opgelegd bij de studieadviseur en de studentenpsycholoog. Daarnaast hebben onafhankelijke beoordelingen plaatsgevonden en heeft de examencommissie appellant in de gelegenheid gesteld zich onder begeleiding van een psychiater te stellen. Het College deelt het standpunt van appellant dat verweerder hem, gelet op het samenstel gedragingen, een minder vergaande maatregel had moeten opleggen, niet.