Uitspraak in zaak 2020/063/CBE

Bestreden beslissing:

De examencommissie heeft i.v.m. plagiaat een sanctie opgelegd.

Het CBE van de Hogeschool van Amsterdam heeft het administratief beroep tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.5.Het College overweegt het volgende over de tekeningen op blz. 57 van het projectverslag waarmee appellant volgens de examencommissie plagiaat heeft gepleegd. Dit zijn tekeningen van details van een brug. Niet in geschil is dat die details, afkomstig van de website www.nationalestaalprijs.nl voor het jaar 2018 en gemaakt in opdracht van Dura Vermeer, niet door appellant zijn getekend. Verder ontbreekt bij die tekeningen een verwijzing naar een bron. Wel staat op blz. 60 van het projectverslag een verwijzing naar bedoelde website. Die verwijzing is echter algemeen en refereert niet aan de tekeningen op blz. 57 van het projectverslag. Verweerder heeft daarom terecht het standpunt van de examencommissie juist geacht dat appellant zonder volledige en correcte bronvermelding bedoelde tekeningen heeft overgenomen, zodat sprake is van plagiaat. Van een onzorgvuldige voorbereiding of ondeugdelijke motivering is geen sprake. Gelet op de hiervoor weergegeven passage uit de studiehandleiding kan appellant niet worden gevolgd in zijn stelling dat de tekeningen niet vereist waren om aan de opdracht te voldoen. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is evenmin sprake. Zoals de examencommissie bij verweerder heeft toegelicht, was de opdracht een samengestelde opdracht voor twee studenten, waarbij een duidelijke taakverdeling bestond en beide studenten los van elkaar op het eigen werk konden worden beoordeeld. Het College ziet geen reden om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen. In zoverre faalt het betoog.
2.6. De examencommissie heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant ook door opname van de tekeningen op blz. 58 van het projectverslag plagiaat heeft gepleegd. Appellant heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de tekeningen op blz. 58 van zijn eigen hand waren. Hij heeft dit onderbouwd met verwijzing naar een in opdracht van Dura Vermeer gemaakte overzichtstekening waarop onder meer de op blz. 57 van projectverslag weergegeven detailtekeningen zichtbaar zijn. Het is het College ter zitting niet duidelijk geworden welke onderdelen van de overzichtstekening appellant volgens de examencommissie op blz. 58 van het projectverslag heeft overgenomen. Verweerder heeft ter zitting niet gesteld dat het gaat om onderdelen van een andere in opdracht van Dura Vermeer gemaakte tekening. Het College gaat er daarom vanuit dat de tekeningen op p. 58 van het projectverslag van de hand van appellant zijn. Ter zitting van het College heeft verweerder toegelicht bij de toetsing van de proportionaliteit van de opgelegde sancties belang te hebben gehecht aan de omstandigheid dat appellant in een gesprek met de
docent van het vak Brug 2.1 heeft volgehouden, na met het vermoeden van plagiaat te zijn geconfronteerd, dat de tekeningen op blz. 57 en blz. 58 van het projectverslag van zijn hand waren. Volgens appellant heeft hij dit echter alleen ten aanzien van de tekeningen op blz. 58 volgehouden. Het College kan op grond van de weergave van de verklaringen van de docent in de dossierstukken, waarin het steeds gaat over de inhoud van blz. 57 en 58 samen, niet vaststellen of appellant ook ten aanzien van de tekeningen op blz. 57 heeft volgehouden dat deze van zijn hand waren. Niet kan worden uitgesloten dat die volhardende verklaring van appellant alleen blz. 58 betrof en de docent ten onrechte heeft geconcludeerd dat deze ook blz. 57 betrof. Gelet hierop en ervan uitgaand dat de tekeningen op blz. 58 daadwerkelijk van de hand van appellant waren, is appellant ten onrechte tegengeworpen dat hij tegenover de docent ten onrechte heeft volgehouden dat tekeningen van zijn hand waren en is de proportionaliteit van de sancties ondeugdelijk gemotiveerd. In zoverre slaagt het betoog.