Uitspraak in zaak 2020/078.1

Verzoek voorlopige voorziening:

Het hoofd international office heeft namens het college van bestuur medegedeeld dat de geplande uitwisseling per 1 september 2020 niet door kan gaan in verband met de Covid-19 crisis.

Op het verzoek om bij wijze van uitzondering toch toestemming te verlenen voor de uitwisseling naar België is afwijzend beslist.

Tegen die beslissingen heeft verzoekster bezwaar gemaakt bij het college van bestuur.

Verzoekster heeft  een verzoek voorlopige voorziening bij het College ingediend.

Uitspraak CBHO: verzoek afgewezen

Hoofdoverwegingen:

De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor de conclusie dat het door het college van bestuur gevoerde beleid om fysieke uitwisseling in het eerste semester van het studiejaar 2020-2021 niet te laten plaatsvinden onredelijk is. In de stelling van verzoekster dat voor België thans geen negatief reisadvies geldt, ziet de voorzieningenrechter die aanleiding niet, omdat de coronapandemie een onzeker verloop heeft en reisadviezen in de loop der tijd kunnen veranderen. In dit kader wijst de voorzieningenrechter op de zorgplicht die het college van bestuur heeft voor studenten die onder zijn verantwoordelijkheid naar het buitenland gaan en neemt de voorzieningenrechter ook in ogenschouw dat ter zitting is gesteld door het college van bestuur, niet is bestreden door verzoekster, dat ook verschillende andere hogescholen een vergelijkbaar beleid voeren. Dat het beleid van het college van bestuur geldt voor alle buitenlanden en geen onderscheid wordt gemaakt tussen bijvoorbeeld België en verder weg gelegen landen acht de voorzieningenrechter, mede gelet op de onvoorspelbaarheid waarmee het coronavirus kan opduiken, niet onredelijk. Evenmin maakt het feit dat er ook hogescholen (en universiteiten) zijn die een ander beleid voeren, op zichzelf ook niet dat het door het college van bestuur gevoerde beleid onredelijk is.
De voorzieningenrechter ziet verder geen aanleiding om te concluderen dat het college van bestuur in het geval van verzoekster een uitzondering op het genoemde beleid had moeten maken. Hierbij is mede van belang dat er geen reden is om aan te nemen dat verzoekster studievertraging zal oplopen als gevolg van de bestreden beslissing. Wat betreft de door verzoekster gewenste stage, heeft het CvB (onweersproken) gesteld dat verzoekster op zichzelf ook zonder de punten die zij beoogt te halen in Gent al op stage zou kunnen gaan. Voor zover verzoekster de competenties wil verkrijgen vergelijkbaar met de competenties die zij in Gent zou kunnen halen, bestaan ook in Nederland mogelijkheden om daartoe een studieonderdeel te volgen, zo heeft het college van bestuur ter zitting toegelicht. Daarbij heeft het college van bestuur specifiek gewezen op een minor die in samenwerking met Hogeschool Saxion wordt geboden. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die aanleiding geven om aan deze toelichting van het college van bestuur te twijfelen. Verder betrekt de voorzieningenrechter bij zijn oordeel dat in hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten zijn te vinden dat zij ernstige financiële schade leidt als gevolg van de door haar bestreden beslissing.
De slotsom is dat het college van bestuur, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in dit geval mocht vasthouden aan het beleid om fysieke uitwisseling niet toe te staan.