UItspraak in zaak 2020/045/CBE

Bestreden beslissing:

De examencommissie heeft de eerdere beslissing om een BNSA te verstrekken herzien nadat administratief beroep bij het college van beroep voor de examens was ingediend.

Het CBE van de Universiteit van Tilburg heeft het dossier gesloten. Appellant heeft het beroep ingetrokken en gelijktijdig verzocht om vergoeding van de proceskosten.

Het CBE heeft op afwijzend beslist op het verzoek.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO : Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.2.1. Het College stelt vast dat de voorzitter van verweerder het verzoek van appellant op 4 maart 2020 schriftelijk heeft afgewezen. Volgens verweerder dient het beroep van appellant niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze brief geen beslissing van verweerder is maar een zogeheten voorzittersuitspraak. Volgens verweerder is tegen een voorzittersuitspraak alleen verzet mogelijk op grond van artikel 10, tweede lid, van het Reglement van Orde. Het College volgt dat standpunt van verweerder niet. Appellant heeft het administratief beroep weliswaar ingetrokken, maar zijn verzoek op grond van artikel 7:28, tweede lid, van de Awb daarbij gehandhaafd. Het gaat om een gedeeltelijke intrekking van het administratief beroep. Op het onderdeel van het administratief beroep dat appellant niet heeft ingetrokken, diende dus nog een beslissing te volgen van verweerder. Die beslissing is genomen bij de brief van 4 maart 2020, waarbij het verzoek om vergoeding van de kosten is afgewezen. De voorzitter is echter niet bevoegd om die beslissing te nemen, dat is verweerder. Omdat uit het verweerschrift volgt dat verweerder de beslissing van 4 maart 2020 voor zijn rekening heeft genomen en ook overigens niet is gebleken dat appellant is benadeeld door het bevoegdheidsgebrek dat aan het besluit van 4 maart 2020 kleeft, zal het College het geconstateerde gebrek op grond van artikel 6:22 van de Awb passeren. Wel bestaat aanleiding om vanwege dit gebrek voor de fase van beroep bij het College een proceskostenveroordeling uit te spreken en om een vergoeding van het griffierecht te gelasten.
2.2.2. Beoordeeld dient te worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellant gemaakte kosten in verband met de behandeling van het administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de bestreden beslissing van de examencommissie niet is herroepen wegens een aan haar te wijten onrechtmatigheid.
2.2.3. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht op dat standpunt gesteld. Bij brief van 5 augustus 2019 heeft de examencommissie aan appellant een voornemen tot het afgeven van een BNSA toegezonden. Naar aanleiding van dat voornemen heeft op
14 augustus 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen de examen-commissie en appellant. De examencommissie heeft toegelicht dat zij voorafgaand aan dit gesprek advies heeft gevraagd aan studenten-decaan Y.J.M.J. Dortu, omdat studentendecaan M.C.L. Hezemans afwezig was. Studentendecaan Dortu heeft, aldus de examen-commissie, in een mondelinge bespreking geadviseerd het bindend studieadvies niet uit te stellen en hij heeft dat advies later op schrift gesteld. Appellant heeft na het gesprek op 14 augustus 2019 op diezelfde dag via de e-mail contact opgenomen met studentendecaan Hezemans. Zij heeft aan appellant laten weten dat zij de examen-commissie heeft meegegeven dat zij hem nog wel voor een tweede keer het voordeel van de twijfel wilde geven. Naar het oordeel van het College heeft verweerder het standpunt mogen innemen dat die mede-deling niet betekent dat deze studentendecaan een positief advies heeft afgegeven over de geschiktheid van appellant voor de opleiding. Deze mededeling van studentendecaan Hezemans komt overeen met de stelling van de examencommissie dat zij aan appellant heeft toegezegd een goed woordje te zullen doen in het geval dat de examencommissie haar om advies zou vragen. Dat de examencommissie het advies van studentendecaan Dortu heeft gevolgd en niet de mededeling van studentendecaan Hezemans, maakt niet dat daarmee sprake is van een aan de examencommissie te wijten onrechtmatigheid. Verder is van belang dat appellant er in het voornemen van 5 augustus 2019 expliciet op is gewezen dat het van belang is om de persoonlijke omstandig-heden toe te lichten en deze met schriftelijk bewijs te onderbouwen. Ook studentendecaan Hezemans heeft appellant er in haar e-mail van 14 augustus 2019 op gewezen dat hij geen recente bewijsstukken heeft ingeleverd en hem aangeraden dat alsnog te doen. Het College volgt dan ook niet de stelling van appellant dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn medische situatie nader toe te lichten. Dat appellant pas tijdens het gesprek in het kader van de minnelijke schikking op 1 oktober 2019 de nadere bewijsstukken over zijn persoonlijke situatie heeft overgelegd, komt dan ook voor zijn risico. Gelet op het voor-gaande, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de beslissing van 27 augustus 2019 niet is herroepen wegens een aan de examencommissie te wijten onrechtmatigheid.