Uitspraak in zaak 2019/210/CBE

Bestreden beslissing:

De examencommissie van de faculteit Economie en Bedrijfskunde heeft namens de decaan aan appellante een bindend negatief studieadvies verstrekt voor de opleiding Business administration.

Het CBE van de Universiteit van Amsterdam heeft het administratief beroep van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: Gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4. Appellante heeft als persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht dat zij voor haar minderjarige broer en zus moest zorgen, omdat haar moeder ziek is. Deze omstandigheden speelden al toen zij in 2015 met de bacheloropleiding Economie en Business begon. In februari 2018 zijn haar minderjarige broer en zus onder toezicht gesteld. Omdat het verder beter met haar moeder leek te gaan, heeft appellante zich voor het studiejaar 2018-2019 voor de bacheloropleiding Business Administration ingeschreven. Gedurende dat studiejaar verslechterde haar gezinssituatie, doordat haar moeder niet meer met het toezicht meewerkte en uithuisplaatsing van haar broer en zus dreigde. Aan deze situatie heeft appellante haar handen vol gehad. Pas na het studiejaar is de situatie verbeterd. Appellante heeft haar persoonlijke omstandigheden pas aan het eind van het studiejaar bij de examencommissie naar voren gebracht in het kader van de BNSA-procedure. Volgens verweerder en de examencommissie kan door de late melding van de persoonlijke omstandigheden van appellante het causaal verband met de studieachterstand niet worden vastgesteld. Het College stelt vast dat appellante in de besluitvormingsfase niet de gelegenheid is geboden om haar persoonlijke omstandigheden, waarvan het bestaan niet wordt betwist, alsnog bij de studieadviseur te melden. Het lag naar het oordeel van het College op de weg van de examencommissie en verweerder om appellante in het kader van de voorbereiding van hun beslissingen die gelegenheid te bieden, omdat de studieadviseur bij uitstek in staat moet worden geacht een inschatting te maken van het effect van persoonlijke omstandigheden op de studievoortgang. Mogelijk zou de studieadviseur door de late melding niet in staat zijn geweest een causaal verband vast te stellen, maar het kan naar het oordeel van het College, gelet op de aard en ernst van de persoonlijke omstandigheden, niet bij voorbaat worden uitgesloten dat de studieadviseur wel degelijk een inschatting van het causaal verband had kunnen maken. Dit betekent dat de beslissingen van de examencommissie en verweerder onvoldoende zijn voorbereid. Het betoog slaagt.