Uitspraak in zaak 2020/049/CBE

Bestreden beslissing:

In verband met een vermoeden van fraude heeft de examencommissie bepaald dat appellante de afstudeerscriptie dient te verdedigen ten overstaan van twee onafhankelijke deskundigen.

Het CBE van de Vrije Universiteit heeft het administratief beroep van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Deels gegrond, deels niet-ontvankelijk

Hoofdoverwegingen:

i. De beslissing van verweerder voor zover deze gaat over de beoordelingen van 19 december 2019 en 8 januari 2020
2.2.4. Omdat verweerder het administratief beroep tegen de beslissingen van 19 december 2019 en 8 januari 2020 gegrond heeft verklaard wegens een aan de examinatoren te wijten onrechtmatigheid en hij die beslissingen ook had moeten vernietigen, ligt een vergoeding van de gemaakte kosten in administratief beroep voor de hand. Naar het oordeel van het College is verweerder ook, anders dan hij stelt, bevoegd om die vergoeding vast te stellen. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2013 in zaak nr. 2013/137, www.cbho.nl), bestaat geen grond voor het oordeel dat de Awb niet op het handelen van bijzondere instellingen van toepassing is. In artikel 7:28, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dat geval stelt het beroepsorgaan de vergoeding vast die het bestuursorgaan verschuldigd is. Op grond van die bepaling heeft verweerder als beroepsorgaan de bevoegdheid om in zijn beslissing de vergoeding vast te stellen. Vast staat dat, hoewel verweerder die vergoeding in de bestreden beslissing van 27 maart 2020 niet heeft vastgesteld, de kosten in verband met de behandeling van het administratief beroep inmiddels wel aan appellante zijn vergoed. Het College ziet daarom geen aanleiding om de bestreden beslissing van verweerder in zoverre te vernietigen.
ii. De beslissing van verweerder voor zover deze gaat over de brief van de examensubcommissie
2.2.5. Verweerder heeft het administratief beroep tegen de brief van de examensubcommissie van 21 november 2019 ongegrond verklaard. Ter zitting van het College heeft verweerder gesteld dat hij de brief van de examensubcommissie heeft aangemerkt als beslissing, gericht op rechtsgevolg. Dat standpunt deelt het College niet. Daarvoor is het volgende van belang.
2.2.6. Zoals uit de brief van de examensubcommissie volgt, heeft zij een melding van een vermoeden van fraude ontvangen van de beoordelaars
van de masterthese. Daarop heeft de examensubcommissie een onderzoek ingesteld met als doel de beantwoording van de vraag of appellante fraude heeft gepleegd en zo ja of daarop een bestuurlijke sanctie in de zin van artikel 5:2, aanhef en onder a, van de Awb zou moeten volgen. In het kader van dat onderzoek heeft een gesprek met appellante plaatsgevonden. Om elke twijfel weg te nemen, heeft de examensubcommissie, ook in het kader van het onderzoek naar het vermoeden van fraude, besloten om appellante in de gelegenheid te stellen haar these mondeling te verdedigen ten overstaan van twee onafhankelijke deskundigen. Ter zitting van het College heeft verweerder bevestigd dat die verdediging heeft plaatsgevonden in het kader van het onderzoek naar het vermoeden van fraude. Omdat de verdediging het vermoeden van fraude volgens de examensubcommissie niet heeft kunnen bevestigen, heeft zij geen bestuurlijke sanctie opgelegd als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Gelet op het voorgaande dient de verdediging ten overstaan van de deskundigen te worden aangemerkt als een onderzoekshandeling in verband met het vermoeden van fraude. Daarmee is de brief van 21 november 2019 niet zelfstandig op rechtsgevolg gericht, maar gaat het om een feitelijke (onderzoeks)handeling. De brief heeft immers slechts feitelijk tot gevolg dat appellante in de gelegenheid wordt gesteld haar masterthese te verdedigen. Hiermee is echter niet gezegd dat een bezwarende beslissing in de vorm van een bestuurlijke sanctie hoe dan ook zou volgen. De stelling van appellante dat de deskundigen de opdracht onjuist hebben uitgevoerd, omdat zij de masterthese inhoudelijk hebben beoordeeld en de fraude niet hebben onderzocht, ziet op de wijze waarop de onderzoekshandeling is uitgevoerd door de deskundigen. Dat die handeling onjuist is uitgevoerd, zoals appellante stelt, maakt de brief van 21 november 2019 echter nog geen beslissing, gericht op rechtsgevolg. Het oordeel is dan ook dat de brief van de examensubcommissie van 21 november 2019, anders dan verweerder heeft aangenomen, niet is aan te merken als een beslissing waartegen rechtsmiddelen openstaan. Verweerder heeft het administratief beroep tegen de brief van de examensubcommissie ten onrechte ongegrond verklaard. De beslissing van verweerder van 27 maart 2020 komt om die reden in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het College zal het administratief beroep tegen deze brief op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb alsnog niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van beslissing van verweerder van 27 maart 2020.