Uitspraak in zaak 2020/097.5

Bestreden beslissing:

Aan appellante is rangnummer 553 toegekend in het kader van decentrale selectie voor de bacheloropleiding geneeskunde.

Het college van bestuur van de Vrije Universiteit heeft het bezwaar van appellante gegrond verklaard, het rangnummer in stand gelaten en de aanmelding .voor dit studiejaar vervallen verklaard

Tegen de beslissing op bezwaar heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Zie ook zaak 2020/097.1

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

De beoordeling door het College

2.3.1. Onder de gegeven omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van het College een terechte beslissing genomen door de toetsdag in het kader van de tweede ronde van de selectieprocedure te laten vervallen. Op 12 maart 2020 zijn in verband met het COVID-19 virus landelijke maatregelen afgekondigd die op dat moment golden tot 31 maart 2020. Die maatregelen hielden in dat mensen moesten thuiswerken indien mogelijk en dat evenementen met meer dan 100 personen werden afgelast. De toetsdag zou worden gehouden op 14 maart 2020 en daaraan zouden meer dan 100 kandidaten deelnemen. Verweerder heeft zich verder op het gemotiveerde standpunt gesteld dat alternatieve toetsing in het kader van de tweede ronde niet mogelijk was. Volgens verweerder zijn de mogelijkheid van het afleggen van de toetsen in kleinere groepjes en de mogelijkheid van het online afnemen van toetsen door middel van een Proctor Exam onderzocht, maar deze alternatieven bleken niet haalbaar. De fysieke afname van de toetsen in kleine groepjes werd vanwege het grote aantal studenten die uit verschillende hoeken van het land moesten komen en vanwege het besmettingsgevaar als een te groot risico beschouwd. Daarbij is van belang dat de intelligente lockdown op 15 maart 2020 is ingegaan. Wat betreft het online afnemen van de toetsen heeft verweerder gesteld enige ervaring te hebben met het afnemen van toetsen door middel van Proctor Exams, maar alleen in kleine groepen en dat is niet altijd vlekkeloos verlopen. Bovendien verkeerden de kandidaten niet allemaal in gelijke omstandigheden indien zij de toets thuis zouden moeten afleggen. Dit standpunt van verweerder is begrijpelijk en niet onredelijk en naar het oordeel van het College mocht verweerder, anders dan appellante betoogt, onder die omstandigheden na de eerste ronde van de selectieprocedure overgaan tot selectie door de ranking van de kandidaten te bepalen aan de hand van de op dat moment over hen bekende informatie.

2.3.2. Vast staat verder dat verweerder heeft beslist om Methode B te gebruiken om de kandidaten ten opzichte van elkaar te ranken. Reden voor die beslissing is dat Methode A een lotingselement bevat, hetgeen in strijd is met artikel 7.53, tweede lid, van de WHW. Vast staat ook dat verweerder per ongeluk een bestand naar Studielink heeft gestuurd, waarin de rankingnummers op basis van Methode A, dat is de selectiemethode die verweerder uitdrukkelijk niet wilde gebruiken voor de ranking, waren opgenomen. Als gevolg van deze door verweerder erkende fout, heeft een groep kandidaten via Studielink een hoger rankingnummer doorgekregen dan in de persoonlijke toelichting is vermeld. Die situatie deed zich bij appellante niet voor. Het via Studielink aan appellante gecommuniceerde rankingnummer komt overeen met het in de persoonlijke toelichting vermelde rankingnummer.

2.3.3. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat appellante, hoewel dat rankingnummer niet aan haar is gecommuniceerd, op grond van Methode B het rankingnummer 535 zou hebben gehad. Ter zitting is verder gebleken dat appellante, uitgaande van zowel het rankingnummer dat via Studielink aan haar is gecommuniceerd (nummer 553), als van het rankingnummer dat is gebaseerd op Methode B (nummer 535) niet direct geplaatst zou zijn voor de opleiding. Ook via naplaatsing zou zij geen toelatingsbewijs voor de opleiding hebben kunnen bemachtigen. Daarvoor zijn de beide rankingnummers te hoog. In zoverre heeft het geen toegevoegde waarde om de beslissing van 20 april 2020 te vernietigen en appellante alsnog het op Methode B gebaseerde rankingnummer toe te kennen. Daarmee onderscheidt de situatie van appellante zich van de situatie in de zaken met nrs. 2020/104.5 en 2020/106.5 (www.cbho.nl). Appellante heeft verder ter zitting van het College toegelicht dat zij niet zozeer een toelatingsbewijs voor de opleiding wenst te bemachtigen, maar dat zij wil bereiken dat verweerder haar alsnog in de gelegenheid stelt om een vervangende toets in het kader van de tweede ronde af te leggen om te laten zien dat zij de kwaliteiten heeft om de opleiding met succes af te ronden. 

2.3.4. Verweerder heeft daarover ter zitting van het College toegelicht dat het afleggen van een vervangende toets in de situatie van appellante niet mogelijk is. Daarbij is volgens verweerder van belang dat in de normale situatie de eerste ronde van de selectieprocedure is bedoeld om de geschiktheid van de kandidaten voor de bacheloropleiding Geneeskunde te bepalen. Vervolgens worden de kandidaten, die doorgaan naar de tweede ronde en dus in beginsel geschikt zijn voor de opleiding, in de tweede ronde ten opzichte van elkaar gerankt door middel van het afleggen van toetsen. Omdat in deze bijzondere situatie geen enkele kandidaat de toetsen in de tweede ronde heeft afgelegd en de ranking inmiddels heeft plaatsgevonden, heeft het afleggen van een vervangende toets door appellante volgens verweerder geen toegevoegde waarde. Zij is dan de enige kandidaat die een vervangende toets heeft afgelegd en het is niet mogelijk om haar onder die ongelijke omstandigheden te ranken ten opzichte van andere kandidaten die geen toets hebben afgelegd. Dat geldt, aldus verweerder, ook indien appellante samen met de andere bezwaarmakers in de gelegenheid zou worden gesteld om een vervangende toets af te leggen. Verweerder heeft aangegeven dat ongeveer 50 kandidaten bezwaar hebben gemaakt. Ook in die situatie heeft de ranking al plaatsgevonden en is het niet mogelijk om die 50 kandidaten, die bezwaar hebben gemaakt die een vervangende toets hebben afgelegd te ranken ten opzichte van de kandidaten die zo’n toets niet hebben afgelegd, aldus verweerder. Gezien het systeem van de decentrale selectie, waarbij een onderlinge ranking tussen kandidaten plaatsvindt en de bijzondere omstandigheden waaronder de selectie dit jaar heeft moeten plaatsvinden, onderschrijft het College dit standpunt van verweerder. Verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om appellante alsnog in de gelegenheid te stellen een vervangende toets af te leggen, dan wel haar op grond van de in artikel 4.8, zevende lid, van de Regeling aanmelding neergelegde hardheidsclausule een toelatingsbewijs te verstrekken. Verweerder heeft appellante voldoende gecompenseerd door haar aanmelding voor het jaar 2020 te laten vervallen.