Uitspraak in zaak 2020/104.5

Bestreden beslissing: 

Aan appellante is rangnummer 610 toegekend in het kader van decentrale selectie voor de bacheloropleiding geneeskunde.

Het college van bestuur van de Vrije Universiteit heeft het bezwaar van appellante gegrond verklaard, het rangnummer in stand gelaten en de aanmelding voor dit studiejaar vervallen verklaard

Tegen de beslissing op bezwaar heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Zie ook zaak 2020/104.1

Uitspraak CBHO: Gegrond

Hoofdoverwegingen:

De beoordeling door het College

2.3.1. Anders dan appellante ter zitting van het College heeft betoogd, volgt niet al uit artikel 13, tweede en derde lid, van de Uitvoeringsregeling Selectie dat verweerder een toelatingsbewijs had moeten verstrekken. Bij de beslissing van 6 augustus 2020 is het bezwaar weliswaar gegrond verklaard, maar heeft verweerder niet besloten om een bewijs van toelating te verstrekken. Met die beslissing is dus niet voldaan aan de in artikel 13, tweede en derde lid, van de Uitvoeringsregeling Selectie neergelegde voorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat verweerder in dit geval, onder deze uitzonderlijke omstandigheden, ten onrechte de beslissing van 20 april 2020 waarbij aan appellante het rankingnummer 610 is toegekend heeft gehandhaafd. Het College overweegt daarover als volgt.

2.3.2. Onder de gegeven omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van het College een terechte beslissing genomen door de toetsdag in het kader van de tweede ronde van de selectieprocedure te laten vervallen. Op 12 maart 2020 zijn in verband met het COVID-19 virus landelijke maatregelen afgekondigd die op dat moment golden tot 31 maart 2020. Die maatregelen hielden in dat mensen moesten thuiswerken indien mogelijk en dat evenementen met meer dan 100 personen werden afgelast. De toetsdag zou worden gehouden op 14 maart 2020 en daaraan zouden meer dan 100 kandidaten deelnemen. Verweerder heeft zich verder op het gemotiveerde standpunt gesteld dat alternatieve toetsing in het kader van de tweede ronde niet mogelijk was. Volgens verweerder zijn de mogelijkheid van het afleggen van de toetsen in kleinere groepjes en de mogelijkheid van het online afnemen van toetsen door middel van een Proctor Exam onderzocht, maar deze alternatieven bleken niet haalbaar. De fysieke afname van de toetsen in kleine groepjes werd vanwege het grote aantal studenten die uit verschillende hoeken van het land moesten komen en vanwege het besmettingsgevaar als een te groot risico beschouwd. Daarbij is van belang dat de intelligente lockdown op 15 maart 2020 is ingegaan. Wat betreft het online afnemen van de toetsen heeft verweerder gesteld enige ervaring te hebben met het afnemen van toetsen door middel van Proctor Exams, maar alleen in kleine groepen en dat dit niet altijd vlekkeloos is verlopen. Bovendien verkeerden de kandidaten niet allemaal in gelijke omstandigheden indien zij de toets thuis zouden moeten afleggen. Dit standpunt van verweerder is aannemelijk en naar het oordeel van het College mocht verweerder onder die omstandigheden na de eerste ronde van de selectieprocedure overgaan tot selectie door de ranking van de kandidaten te bepalen aan de hand van de op dat moment over hen bekende informatie.

2.3.3. Vast staat verder dat verweerder uiteindelijk heeft beslist om Methode B te gebruiken om de kandidaten ten opzichte van elkaar te ranken. Reden voor die beslissing is dat Methode A een lotingselement bevat, hetgeen in strijd is met artikel 7.53, tweede lid, van de WHW. Vast staat ook dat verweerder per ongeluk een bestand naar Studielink heeft gestuurd, waarin de rankingnummers op basis van Methode A, dat is de selectiemethode die verweerder uitdrukkelijk niet wilde gebruiken voor de ranking, waren opgenomen. Als gevolg van deze door verweerder erkende fout, heeft een groep kandidaten via Studielink een hoger rankingnummer doorgekregen dan in de persoonlijke toelichting is vermeld. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de kandidaten die een rankingnummer via Studielink hebben ontvangen dat onder nummer 350 ligt, direct zijn geplaatst voor de opleiding. Verder zijn ook, zoals uit overweging 2.2.5 volgt, de 50 kandidaten die via de persoonlijke toelichting een rankingnummer op basis van Methode B toegekend hebben gekregen en waarmee zij direct zouden zijn geplaatst, alsnog geplaatst.

2.3.4. Appellante is uitgaande van zowel het rankingnummer dat via Studielink aan haar is gecommuniceerd (nummer 610), als van het rankingnummer dat in de persoonlijke toelichting stond vermeld (nummer 375), niet direct geplaatst voor de bacheloropleiding Geneeskunde. Appellante zou dus alleen via naplaatsing een toelatingsbewijs voor de opleiding hebben kunnen bemachtigen. Verweerder heeft er echter voor gekozen om ook in het kader van de naplaatsing uit te gaan van de in Studielink gepubliceerde rankingnummers en niet van de rankingnummers die op basis van Methode B tot stand zijn gekomen. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van het College een eerder ingezette fout onnodig herhaald. Daarbij is van belang dat alle kandidaten die zowel op basis van de ranking onder Methode A als op basis van de ranking onder Methode B daarvoor in aanmerking kwamen, direct zijn geplaatst. De kandidaten die niet direct voor een opleidingsplaats in aanmerking komen, maar alleen via naplaatsing, bevonden zich echter in gelijke omstandigheden: zij waren niet in de eerste ronde geplaatst. Voor die kandidaten bestond met andere woorden een ‘level playing field’. Onder die omstandigheden had verweerder, zoals appellante terecht betoogt, ervoor moeten kiezen om de naplaatsing uit te voeren overeenkomstig de rankingnummers die zijn gebaseerd op Methode B. Dat is immers, zoals verweerder ook zelf ter zitting heeft erkend, de juiste ranking en zodoende zou de fout niet onnodig worden herhaald.