Uitspraak in zaak 2020/105/CBE

Bestreden beslissing:

De examinator heeft het tentamen aansprakelijkheidsrecht van betrokkene beoordeeld.

Het CBE van de Open Universiteit heeft het administratief beroep van appellante wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.3. Ingevolge artikel 7.61, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zendt het college van beroep, alvorens het beroep in behandeling te nemen, het beroepschrift aan het orgaan waartegen het beroep is gericht, met uitnodiging om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van afdeling 7.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingeval het beroep is gericht tegen een beslissing van een examinator, geschiedt de in de voorgaande volzin bedoelde toezending aan de desbetreffende examencommissie.
Ingevolge artikel 7.62, eerste lid, aanhef en onder e, stelt het college van beroep voor de examens een reglement van orde vast, waarin nadere regels worden gesteld ten aanzien van de in artikel 7.61, derde lid, bedoelde procedure en de gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten.
Het CBE van de Open Universiteit heeft daaraan invulling gegeven in het reglement ā€¯Beroepsprocedure bij het College van beroep voor de examenā€¯ waarin is opgenomen dat het beroepschrift wordt doorgezonden naar de verweerder, de examinator dan wel de examencommissie, met het verzoek om inhoudelijk na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is als het beroepschrift voldoet aan de procedurele eisen.
2.3.1. Zoals het College eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 17 maart 2016, CBHO 2015/256, moet een schikking ook worden beproefd als een bij het CBE ingesteld administratief beroep wellicht kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat het niet is toegestaan om zaken die die niet voldoen aan de procedurele eisen categoraal uit te sluiten van de poging tot een minnelijke schikking. Het College is van oordeel dat hetgeen in het reglement is bepaald over de poging tot minnelijke schikking met betrekking tot zaken die niet voldoen aan de procedurele eisen te algemeen is geformuleerd en daarom in dit geval buiten toepassing dient te worden gelaten. Appellante betoogt dan ook terecht dat ten onrechte de poging tot minnelijke schikking achterwege is gebleven.
Het betoog slaagt.