Uitspraak in zaak 2020/116/CBE

Uitspraak CBHO: Ongegrond

De examencommissie heeft afwijzend beslist op het verzoek om te mogen starten met het afstuderen.

Het CBE van de Hogeschool van Amsterdam heeft het administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.3.2. De examencommissie en het CBE hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor het beginnen met de afstudeerstage nodig is dat de student alle competenties op niveau 3 beheerst. Zij hebben zich ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dat niet het geval is als in ieder geval de gehele minor uit jaar 3 van de hoofdfase met een omvang van 30 ECTS nog ontbreekt en er dus maximaal 120 ECTS uit de hoofdfase zijn gehaald. Appellante had ten tijde van de beslissing van de examencommissie bovendien pas 67 ECTS uit de hoofdfase, en dus aanzienlijk minder dan 120 ECTS, gehaald. Ten tijde van de beslissing op administratief beroep had appellante nog altijd minder dan 120 ECTS uit de hoofdfase.
Het College is van oordeel dat het belang van appellante om de opgelopen studievertraging te beperken niet zo zwaar weegt, dat de examencommissie en het CBE van het door hen gehanteerde uitgangspunt hadden moeten afwijken. Daarbij is van belang dat afstuderen “oude stijl”, anders dan appellante stelt, ook in semester 2 van het studiejaar 2020-2021 mogelijk blijft. Bovendien is het voor appellante mogelijk om in semester 1 een zinvol studieprogramma te volgen, namelijk de minor van 30 ECTS.
Gelet hierop heeft het CBE het administratief beroep op dit punt terecht ongegrond verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.
[…]
2.4.3. Artikel 7.61, derde lid, van de WHW schrijft dwingend voor dat wordt nagegaan of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is, voorafgaand aan de behandeling van het beroep door verweerder. De examencommissie heeft - pas na afloop van de gestelde termijn voor de minnelijke schikking - appellante onaangekondigd telefonisch benaderd, waardoor appellante zich overvallen voelde. De examencommissie heeft het gesprek niet op een later moment en in het bijzijn van een gemachtigde van appellante willen voortzetten. Naar het oordeel van het College heeft de examencommissie met deze handelwijze niet de zorgvuldigheid betracht die van haar mag worden verwacht bij naleving van de in artikel 7.61, derde lid, van de WHW neergelegde verplichting.
Gelet hierop is de beslissing van het CBE van 15 juli 2020 in strijd met artikel 7.61, derde lid, van de WHW. Het College ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat appellante naar het oordeel van het College niet is benadeeld. Daarbij is van belang dat uit het door het CBE betrokken standpunt blijkt dat er geen ruimte zou zijn geweest om appellante in het kader van een minnelijke schikking tegemoet te komen, gelet op het standpunt van de examencommissie dat een student met 120 ECTS of minder uit de hoofdfase niet over alle competenties beschikt die nodig zijn om aan de afstudeerfase te kunnen beginnen en daarom hoe dan ook niet tot de afstudeerfase kan worden toegelaten.