Uitspraak CBHO 2020/054

Bestreden beslissing:

De beoordeling van de stage is ongeldig verklaard omdat niet aan de voorwaarden voor deelname aan de stage was voldaan.

Het CBE van De Haagse Hogeschool heeft het administratief beroep van appellante ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.5. Ten aanzien van het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel, overweegt het College het volgende.
Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het betoog van appellante dat De Haagse Hogeschool had kunnen weten dat zij LAP volgde, omdat zij niet op school verscheen en haar mentor haar in oktober 2018 bij BuZa heeft bezocht, niet kan worden gevolgd. In dat verband heeft het CBE toegelicht dat in leerjaar 3 geen onderwijs wordt aangeboden op de dagen dinsdag tot vrijdag, omdat deze dagen bestemd zijn voor LAP. Verder heeft het CBE naar voren gebracht dat bij de mentor is nagevraagd wat de reden was van dit bezoek. De mentor heeft verklaard dat appellante vrijstelling of vervanging van het vak Projectmatig Werken wilde bespreken in verband met de werkzaamheden die zij bij BuZa uitvoerde. Verder heeft het CBE erop gewezen dat niet de mentor, maar de leerkringbegeleider LAP dient te bezoeken, en dat een bezoek van de mentor daarom niet betekent dat LAP is goedgekeurd. Met het CBE is het College van oordeel dat uit het bezoek van de mentor niet kan worden afgeleid dat LAP is goedgekeurd en dat appellante aan dat bezoek ook niet het vertrouwen kon ontlenen dat met dat bezoek LAP was goedgekeurd.
Verder heeft appellante aan de omstandigheid dat zij heeft deelgenomen aan een aantal bijeenkomsten van de leerkring, redelijkerwijs niet het vertrouwen mogen ontlenen dat zij kon starten met LAP. Daarbij is van belang dat appellante op 3 december 2018 is verwijderd uit de leerkring, omdat zij op dat moment niet voldeed aan het vereiste van het behalen van minimaal 16 van de 19 vakken. Door het CBE is toegelicht dat studenten de mogelijkheid hebben om tijdelijk mee te doen aan een leerkring indien zij menen voor de definitieve einddatum voor het starten van LAP jaar 3 op 11 december 2018 toch nog aan de ingangseisen te kunnen voldoen.
De stelling van appellante dat de opleidingsmanager tijdens een gesprek op 21 mei 2019 heeft toegezegd dat LAP van appellante verwerkt zou worden in Osiris, is niet op enigerlei wijze gestaafd. Zoals het CBE heeft overwogen, ontkent de opleidingsmanager bovendien uitdrukkelijk dat hij deze toezegging aan appellante heeft gedaan. Gelet hierop heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat aan haar door de opleidingsmanager een toezegging is gedaan op grond waarvan zij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de studiepunten voor LAP zouden worden ingevoerd.
Gelet op het voorgaande betoogt appellante naar het oordeel van het College ten onrechte dat van de kant van De Haagse Hogeschool toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaraan zij redelijkerwijs het vertrouwen mocht ontlenen dat
aan haar studiepunten voor LAP zouden worden toegekend. Het moest appellante derhalve duidelijk zijn dat ten onrechte een resultaat voor LAP was ingevoerd.
2.6. Naar het oordeel van het College heeft de examencommissie ten onrechte aan artikel 10 van de OER de bevoegdheid ontleend om het ingevoerde resultaat voor LAP te verwijderen. Dat artikel geeft de examencommissie de bevoegdheid beslissingen te nemen ter voorkoming van onbillijkheden van overwegende aard voor een student. Dat betekent echter niet dat de examencommissie niet de bevoegdheid had om het cijfer te verwijderen. Uit artikel 7.12 van de WHW volgt dat de examencommissie verantwoordelijk is voor het objectieve en deskundige wijze vaststellen van – in dit geval – een cijfer. Dat cijfer dient de kennis en kunde van een student te reflecteren. In het licht daarvan staat het bepaalde in artikel 4.8 van de OER er niet aan de weg dat wanneer een cijfer in het systeem is ingevoerd dat niet berust op enige beoordeling van aspecten van het vak waarvoor het cijfer is gegeven en het invoeren van het cijfer op een misverstand berust, de examencommissie ook na twee maanden nog haar bevoegdheid op grond van art. 7.12 van de WHW mag gebruiken om een abusievelijk ingevoerd cijfer te verwijderen.
2.7. Aan een dergelijke beslissing dient wel een afweging van belangen vooraf te gaan. In dit geval heeft de examencommissie het belang van de opleiding om het ingevoerde cijfer in te trekken zwaarder gewicht kunnen toekennen dan het belang van appellante om het toegekende cijfer te behouden. Daarbij heeft de examencommissie terecht betrokken dat het voor appellante vanaf het begin duidelijk moet zijn geweest dat de toekenning van de studiepunten op een vergissing berustte, aangezien zij geen LAP heeft verricht. Appellante voldeed niet aan de in artikel 3.2 van de OER neergelegde vereisten om te kunnen starten met LAP en zij heeft er niet redelijkerwijs op mogen vertrouwen dat aan haar studiepunten voor LAP zouden worden toegekend. Verder heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het invoeren van de studiepunten in Osiris geen administratieve fout is, maar bewust is gedaan. Dat appellante is gestart met haar werkzaamheden bij BuZa, hoewel zij niet aan de vereisten voldeed, niet overeenkomstig de Handleiding goedkeuring heeft gekregen van de LAP-coördinator en er geen LAP-overeenkomst getekend was, is haar eigen keuze geweest en komt om die reden voor haar rekening en risico. Verder heeft het CBE terecht in aanmerking genomen dat de toekenning van studiepunten voor LAP aan appellante ertoe zou leiden dat zij onevenredig wordt bevoordeeld ten opzichte van medestudenten die LAP wel hebben verricht. Het CBE wijst erop dat toekenning van zoveel studiepunten – het volgen van LAP in het derde jaar betreft de helft van het duale onderwijs – voor een niet verricht studieonderdeel zou leiden tot toekenning van een diploma zonder dat aan alle vereisten is voldaan. Deze handelwijze zou daardoor afbreuk doen aan de waarde van het diploma. Bovendien heeft de examencommissie de belangen van appellante in ogenschouw genomen. In dat verband kan erop worden gewezen dat de examencommissie tijdens de procedure bij het College een poging tot een minnelijke schikking heeft gedaan. Zij heeft aan appellante aangeboden om haar een vrijstelling te verlenen voor LAP in jaar 3 wegens de door haar verrichte werkzaamheden bij BuZa. Daarbij heeft de examencommissie als voorwaarden gesteld dat appellante op 8 maart 2021 volledig aan de ingangseisen voor dat studieonderdeel voldoet en dat zij deelneemt aan de leerkring en bijbehorende opdrachten. Indien appellante niet aan de voorwaarden voldoet, heeft de examencommissie aangeboden om een vrijstelling van de BO-minor te geven. Appellante heeft om haar moverende redenen
het, in de ogen van het college (alleszins) redelijke, schikkingsaanbod van de examencommissie niet geaccepteerd. Gelet op het voorgaande heeft de examencommissie naar het oordeel van het College het voor appellante ingevoerde cijfer voor LAP kunnen verwijderen, nu het cijfer niet de studieprestatie van appellant reflecteert.