Uitspraak CBHO 2020/165

Bestreden beslissing:

De examencommissie heeft het hertentamen ondernemingsrecht wegens fraude ongeldig verklaard en verzoekster uitgesloten van alle examenonderdelen in de periode 29 augustus 2020 tot 1 maart  2021.

Het CBE van de Universiteit van Amsterdam heeft het administratief beroep van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij het College.

Zie ook zaak 2020/165.1/CBE

Uitspraak CBHO: 

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.3. Het College stelt voorop dat uit de WHW volgt dat de examencommissie in beginsel in geval van fraude het recht heeft om een student voor een heel jaar van het deelnemen aan tentamens uit te sluiten. Het College merkt verder op dat er geen verplichting is om beleid op schrift vast te stellen voor de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie wegens fraude. Het College stelt verder vast dat de examencommissie in dit geval heeft aangesloten bij artikel 5.5. van het Examenreglement, waaruit volgt dat de examencommissie een eventuele sanctie vaststelt. Die bepaling biedt de mogelijkheid om maatwerk te bieden. Het College ziet in het door appellante aangevoerde geen aanknopingspunten om te oordelen dat deze bepaling niet van toepassing was dan wel niet toegepast had mogen worden. Verder merkt het College op dat de aan appellante opgelegde sanctie, inhoudende onder meer een uitsluiting van examenonderdelen voor een periode van een half jaar, geen overschrijding inhoudt van de wettelijke mogelijkheid om een student een heel jaar uit te sluiten van de deelname aan tentamens. Mede in dat licht bezien acht het College de opgelegde sanctie niet onevenredig. Hierbij is ook van belang dat, zoals het CBE heeft toegelicht, bewust ervoor is gekozen om appellante niet uit te sluiten van het examenonderdeel Ondernemingsrecht, omdat dat een te zware sanctie zou zijn geweest (namelijk een studievertraging van tenminste 1 jaar). Bij het opleggen van de sanctie heeft het CBE ook zwaar gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat appellante fraude heeft gepleegd tijdens een online afgelegd tentamen, waarbij het niet mogelijk was om te surveilleren. De mogelijkheid tot het afleggen van een online tentamen is geboden op basis van vertrouwen in de studenten. Dat vertrouwen is door het handelen van appellante ernstig beschaamd.

Het College is onder de hiervoor weergegeven omstandigheden van oordeel dat de opgelegde sanctie proportioneel is. Van omstandigheden die tot matiging hadden moeten leiden, is niet gebleken. Het College merkt in dit kader over het betoog over de privacy schending het volgende op.

Het CBE heeft ter zitting toegelicht dat is gebleken dat het IP-adres van appellante, bestaande uit een cijferreeks, ook bij twee anderen studenten te zien was die het tentamen hebben afgelegd, waardoor het (later door appellante bevestigde) vermoeden van fraude ontstond. De locatie waar appellante zich feitelijk bevond, is door de examencommissie evenwel niet onderzocht, aldus het CBE. Het College stelt vast dat appellante dit niet heeft betwist. Dat, zoals appellante heeft gesteld, de onderwijsinstelling nader onderzoek had kunnen (laten) doen naar het IP-adres en mogelijk haar locatie had kunnen (laten) achterhalen, acht het College niet van betekenis, aangezien zodanig onderzoek niet is verricht. Van een privacy-schending is in dit geval dus niet gebleken. De verwijzing naar de privacy geeft daarom geen reden voor het oordeel dat de sanctie gematigd had moeten worden. Ook bestaat geen verplichting voor de examencommissie om appellante vooraf te waarschuwen dat mogelijk via het IP-adres fraude aan het licht zou kunnen komen. Gezien het vorenstaande is het College van oordeel dat aan appellante een passende sanctie is opgelegd, zodat ook geen toepassing hoefde te worden gegeven aan de hardheidsclausule.

De betogen slagen niet