Uitspraak CBHO 2020/136

Bestreden beslissing: 

Omdat appellant niet heeft voldaan aan de studievoortgangseis, opgenomen in de Gedragscode Internationale Student Hoger Onderwijs is de inschrijving beëindigd, hetgeen gemeld wordt aan de IND.

Het college van bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen heeft het bezwaar van appellant deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing van het CvB heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO:

Gegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.5. Het College is van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat appellant in het studiejaar 2018 2019 niet aan de norm als bedoeld in artikel 3.87a van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft voldaan. Appellant heeft in dat studiejaar 25 studiepunten behaald. Het College volgt appellant niet in zijn betoog dat verweerder 5 studiepunten voor het vak Surface Engineering and Coating Technology bij het puntenaantal had moeten optellen. Appellant diende volgens de verklaring van de docent van dit vak een (deel)opdracht – een literature review – in het studiejaar 2019 2020 opnieuw te doen. De docent heeft verklaard dat de verwachting is dat appellant het vak afrondt in het tweede blok van het studiejaar 2019 2020. Gelet hierop kunnen de punten van dit vak niet aan het studiejaar 2018 2019 worden toegekend.

Het betoog faalt in zoverre.

2.6. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld, en ter zitting toegelicht, dat slechts aan een beperkt aantal persoonlijke omstandigheden uit artikel 7.51 van de WHW en artikel 2.1 van de Regeling kan worden getoetst, namelijk ziekte of zwangerschap en bevalling, een handicap of chronische ziekte, bijzondere familieomstandigheden, en een onvoldoende studeerbare opleiding. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van het niet voldoen aan de voortgangsnorm ten onrechte beperkt tot deze onderdelen van artikel 7.51 van de WHW en artikel 2.1 van de Regeling. Verweerder heeft niet onderkend dat de door appellant aangedragen persoonlijke omstandigheden ook hadden moeten worden getoetst aan zowel artikel 7.51, tweede lid, aanhef en onder g en h, van de WHW als artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h en i, van de Regeling. Door dit na te laten heeft verweerder de beslissing van 18 oktober 2019, gehandhaafd bij beslissing van 12 augustus 2020, onvoldoende gemotiveerd.

In zoverre slaagt het betoog.

2.7. Gelet op het voorgaande komt het College niet toe aan bespreking van de overige beroepsgronden.