Uitspraak CBHO 2020/171

Bestreden beslissing: 

De examencommissie heeft namens het instellingsbestuur  aan appellante een bindend negatief studieadvies verstrekt voor de opleiding Ondernemerschap en Retail Management.

Het CBE van De Haagse Hogeschool heeft het administratief beroep van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.5. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van het College van 17 april 2014 (zaak nr. CBHO 2013/256.5; www.cbho.nl) is het niet aan appellante om het causaal verband tussen de aangevoerde omstandigheden en de studievertraging aan te tonen. Voldoende is de gestelde persoonlijke omstandigheden aan te tonen en aannemelijk te maken dat die omstandigheden de studieresultaten nadelig hebben beïnvloed. Het is vervolgens aan de examencommissie om indien persoonlijke omstandigheden worden aangenomen te motiveren waarom desondanks een causaal verband tussen de aangevoerde omstandigheden en het niet hebben behaald van de benodigde studiepunten ontbreekt.

2.6. Appellante lijdt aan migraineaanvallen, die zijn aangemerkt als persoonlijke omstandigheid als bedoeld in artikel 7.8b van de WHW. In het studiejaar 2018 2019 is vanwege die persoonlijke omstandigheid het studieadvies opgeschort. Daarmee heeft de examencommissie het causaal verband tussen de aangevoerde omstandigheden en de studievertraging toen aanwezig geacht. In het studiejaar 2019 2020 heeft appellante zich beroepen op dezelfde persoonlijke omstandigheid. Daarmee is in beginsel aannemelijk gemaakt dat de migraineaanvallen de studieresultaten nadelig hebben beïnvloed.

Verweerder heeft echter voldoende gemotiveerd waarom de examencommissie zich op het standpunt mocht stellen dat een causaal verband ontbreekt. Appellante heeft in het studiejaar 2018 2019 33 studiepunten behaald en diende, om aan de voorwaarde in het uitgestelde advies te voldoen, voor 1 juli 2020 50 studiepunten van de propedeutische fase te behalen. Dit betekent dat appellante nog 17 studiepunten van de propedeutische fase in het studiejaar 2019 2020 moest behalen. Zij heeft uiteindelijk 15 studiepunten behaald, waarvan slechts drie studiepunten van de propedeutische fase. De overige 12 studiepunten heeft zij behaald voor tweedejaarsvakken uit de hoofdfase van de bachelor. Deze studiepunten worden echter niet meegeteld voor het behalen van de studievoortgangsnorm.

Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat, nu appellante een aanzienlijk aantal tweedejaarsvakken heeft gevolgd en deels ook heeft behaald, de migraine geen bepalende invloed moet hebben gehad op het niet voldoen aan de gestelde studievoortgangsnorm. Dat haar migraineaanvallen wel enige invloed hebben gehad op haar studieresultaten is, zoals ook de studentendecaan heeft aangegeven, aannemelijk, maar is naar het oordeel van het College niet de doorslaggevende reden voor het niet behalen van de eerste-jaarsvakken die deel uitmaken van de studievoortgangsnorm. Met verweerder is het College van oordeel dat meer aannemelijk is dat appellante moeite heeft met het behalen van individuele tentamens. Uit het studievoortgangsoverzicht blijkt dat de propedeusevakken die appellante niet heeft gehaald, vakken zijn waarbij individuele schriftelijke tentamens moesten worden gemaakt. De groepsopdrachten uit de propedeutische fase heeft appellante gehaald. Verder is gebleken dat de tweedejaarsvakken die appellante heeft behaald, ook groepsprojecten waren. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de examencommissie tot de conclusie kon komen dat een causaal verband ontbreekt tussen de migraine en het niet behalen van de studievoortgangsnorm.

Verder volgt het College de lezing van appellante dat in het advies moet worden gelezen dat de studentendecaan geen relatie kan leggen omdat zij pas op een laat tijdstip kennis heeft genomen van de door appellante gemelde omstandigheden, niet. Dat ook het coronavirus op de studieprestaties van invloed kan zijn geweest, valt niet uit te sluiten, maar heeft appellante niet nader geconcretiseerd en heeft appellante er ook niet van weerhouden om een aantal studiepunten in de hoofdfase van de studie te behalen. De conclusie is dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de examencommissie terecht een bindend negatief studieadvies heeft gegeven.

Het betoog faalt.