Uitspraak CBHO 2020/155

Bestreden beslissing: 

De examencommissie BA Geesteswetenschappen heeft wegens plagiaat appellante voor het lopende studiejaar uitgesloten van deelname aan (herkansing) van het vak Media Research.

Het CBE van de Universiteit van Amsterdam heeft het daartegen door appellante ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het college van beroep voor de examens heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: 

Gegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.6. Het College ziet aanleiding om eerst te bezien of appellante zich met haar werkstuk aan plagiaat schuldig heeft gemaakt. Van plagiaat is sprake wanneer iemand het werk of gedachtegoed van een ander presenteert als eigen werk of gedachtegoed. Wanneer werk of gedachtegoed van een ander wordt gebruikt, dient dat duidelijk in het eigen werk tot uitdrukking te worden gebracht. Ook in het geval van het niet duidelijk aangeven in de tekst, bijvoorbeeld via aanhalingstekens of een bepaalde vormgeving, dat letterlijke of bijna letterlijke citaten in het werk worden overgenomen, zelfs indien dat met een correcte bronvermelding geschiedt, zoals opgenomen in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Regeling kan sprake zijn van plagiaat. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat in de wetenschap van groot belang is dat op juiste en volledige wijze wordt aangegeven dat en in hoeverre gebruik wordt gemaakt van andermans werk. De wijze waarop het begrip plagiaat in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Regeling wordt omschreven, acht het College daarom als algemene norm niet onredelijk. Evenmin is de invulling die daarmee wordt gegeven aan het begrip fraude in strijd met artikel 7.12b, tweede lid, van de WHW.
2.7. Dat neemt niet weg dat niet iedere onjuiste bronvermelding is aan te merken als plagiaat in de zin van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder a en c, van de Regeling. Voor de vraag of sprake is van plagiaat in de zin van deze Regeling, voor zover het gaat om het niet, onjuist of onvolledig verwijzen naar bronnen, zijn de omvang en de ernst van de onjuiste bronvermelding van belang. Het College is van oordeel dat de gebrekkige bronvermelding in het werkstuk van appellante onvoldoende is om van plagiaat te kunnen spreken. Het College neemt daarbij in aanmerking dat uit de rapportage van Turnitin blijkt dat bij 8% van het werkstuk mogelijk sprake is van het overnemen van andere bronnen, terwijl in een dergelijk percentage ook passages worden meegenomen waarvan de herkomst wél op juiste wijze is verantwoord. Verder acht het college van belang dat bij het overnemen van passages uit een tekst in het Nederlands over feminisme wel sprake is van bronvermelding, maar het tekortschieten bestaat uit het ontbreken van aanhalingstekens, waardoor de indruk wordt gewekt dat (alleen) wordt geparafraseerd. Voor zover sprake is van letterlijke vertaling van Engelse teksten wordt eveneens, zij het niet duidelijk, naar de bron verwezen. 
2.8. Het voorgaande betekent dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan plagiaat en dat de examencommissie bevoegd was aan appellante een sanctie op te leggen. Het college voegt daaraan toe dat het voorgaande er niet aan in de weg staat dat de examinator het tekortschieten in de bronvermelding betrekt bij de beoordeling van het werkstuk en tot een lagere beoordeling komt. Daarbij mag de examinator ook betrekken dat appellante uitdrukkelijk voor deze wijze van bronvermelding is gewaarschuwd. Dat appellante, naar zij stelt, van die waarschuwing geen kennis heeft genomen komt voor haar risico.