Uitspraak CBHO 2020/184

Bestreden beslissing: 

De examencommissie Masteropleidingen Gezondheidszorg van de Academie Gezondheid en Vitaliteit heeft afwijzend beslist op het verzoek om deel te mogen nemen aan de Performancetoets 2 wegens het ontbreken van een praktijkleerovereenkomst.

Het CBE van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen heeft het administratief beroep tegen de weigering ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.5.2. Ter zitting van het College heeft appellante toegelicht dat zij van 1 februari 2018 tot en met 1 juli 2019 in het bezit was van een praktijkovereenkomst. Vanaf 1 juli 2019 beschikt ze niet meer over een dergelijke overeenkomst. De stelling van appellante dat onder de OER 2019-2020 niet het vereiste gold om te beschikken over een praktijkovereenkomst om deel te kunnen nemen aan de Performancetoets 2, volgt het College niet. In artikel 2.7 van de OER 2019-2020 staat immers dat een student vanaf een in hoofdstuk 6 bepaalde studiefase over een praktijkovereenkomst moet beschikken, indien deze een duale opleiding volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante zich in het studiejaar 2019-2020 bevond in bedoelde studiefase. In de OER 2019-2020 staat weliswaar niet expliciet vermeld dat een student voor deelname aan de Performancetoets 2 over een praktijkovereenkomst moet beschikken, maar uit voormeld artikel 2.7 volgt volgens het College ondubbelzinnig dat appellante tijdens het volgen van haar duale opleiding vanaf bedoelde studiefase doorlopend over een praktijkovereenkomst moet beschikken, en dus ook bij deelname aan toetsen, waaronder de Performancetoets 2. Ten aanzien van dit vereiste heeft dan ook geen materieel-inhoudelijke wijziging plaatsgevonden van de OER 2020-2021 ten opzichte van de OER 2019-2020. Nu appellante vanaf 1 juli 2019 niet (meer) beschikt over een praktijkovereenkomst, heeft de examencommissie appellante op die grond mogen weigeren deel te nemen aan de Performancetoets 2 in september 2020.
2.5.3. Een beroep op de overgangsregeling van hoofdstuk 8 van de OER 2020-2021 kan appellente niet baten, daargelaten of deze regeling hier van toepassing is. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft ten aanzien van het vereiste om te beschikken over een praktijkovereenkomst, geen wijziging plaatsgevonden in het studiejaar 2020-2021. Nu appellante sinds 1 juli 2019 niet (meer) beschikt over een praktijkovereenkomst, mocht zij reeds hierom, nog los van de geldende ingangseisen, niet deelnemen aan de Performancetoets 2 in september 2020.
2.5.4. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen,
zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan.
Er is in dit geval geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel. Het College is van oordeel dat de uitlatingen van Van den Brink in zijn e-mail van 3 december 2019 niet kunnen worden aangemerkt als een toezegging van de examencommissie om appellante zonder praktijkovereenkomst toe te laten tot deelname aan de Performancetoets 2 in september 2020. In de e-mail van 3 december 2019 heeft Van den Brink appellante bericht dat zij niet beschikt over een praktijkovereenkomst, waardoor het beroepsuitoefeningsdeel van de opleiding niet kan worden voltooid en dat zij het beroepsuitoefeningsdeel van de opleiding vanaf leerjaar 2 weer kan oppakken wanneer ze weer een geschikte aanstelling als Physician Assistent in opleiding heeft en hiertoe een praktijkovereenkomst is gesloten. Verder heeft Van den Brink appellante meegedeeld dat als zij vooruitlopend op de voortzetting van het beroepsuitoefeningsdeel de Performancetoets 2 wenst af te leggen, dit voor haar zal worden georganiseerd, en dat appellante dan voor 15 december 2019 moet laten weten of zij aan de toets wil deelnemen. De mogelijkheid om de toets in januari 2020 af te leggen zonder in het bezit te zijn van een praktijkovereenkomst is appellante, zo is ter zitting van het College gebleken, uit coulance-overwegingen geboden en heeft dan ook het karakter van een schikking. Uit de aard en de inhoud van de e-mail van 3 december 2019 leidt het College verder af dat Van den Brink bij zijn aanbod uitging van de veronderstelling dat appellante binnen afzienbare termijn weer over een vereiste praktijkovereenkomst zou beschikken en het beroepsuitoefeningsdeel vanaf leerjaar 2 zou hervatten. Het aanbod had dus specifiek betrekking op het toetsmoment in januari 2020 en gold niet onbeperkt. Verder neemt het College in aanmerking dat Van den Brink appellante nadien, bij e-mail van 9 juli 2020, nadrukkelijk erop heeft gewezen dat zij voor deelname aan de toets in september 2020 ingeschreven moet staan als student en dat bij een (her)inschrijving voorwaarden gelden, zoals een werkgever die haar aanstelt als Physician Assistant in opleiding.