Uitspraak CBHO 2020/174

Bestreden beslissing:

Op het verzoek tot inschrijving is namens het CvB afwijzend beslist.

Het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing op bezwaar de weigering is bezwaar gemaakt bij het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam.

Uitspraak CBHO:

ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4. In hetgeen appellante aanvoert, ziet het College geen grond voor het oordeel dat het verweerder ten onrechte haar inschrijvingsverzoek heeft afgewezen. Het College overweegt hiertoe als volgt. Vast staat dat verweerder in overeenstemming met de regels zoals neergelegd in het Studentenstatuut 2020-2021 heeft gehandeld. Omdat appellante zich heeft aangemeld voor een nieuwe opleiding binnen de hogeschool zijn e-mailberichten, in overeenstemming met het Studentenstatuut, naar het in Studielink opgenomen e-mailadres van appellante verzonden. In die e-mailberichten is appellante er meermalen op gewezen dat zij het collegegeld nog niet had betaald dan wel de vereiste machtiging nog niet was verstrekt. Ter zitting van de voorzieningenrechter van het College, bij wie appellante een verzoek om een voorlopige voorziening had ingediend, heeft appellante ook bevestigd dat dat zij die e-mailberichten heeft ontvangen en dat het gaat om een e-mailaccount dat zij regelmatig gebruikt. Indien appellante het wenselijk achtte dat berichten over haar inschrijving naar haar HvA-account zouden worden gestuurd, had het op haar weg gelegen om in Studielink het gewenste e-mailadres op te geven. Verder staat vast dat verweerder SMS-berichten heeft verstuurd naar het in Studielink opgenomen telefoonnummer van appellante en ter zitting van de voorzieningenrechter heeft zij desgevraagd bevestigd dat zij de SMS-berichten heeft ontvangen.
Verder bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het verbod op willekeur. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd uiteengezet dat alle communicatie via de Centrale Studentenadministratie dient te lopen en dat het niet de bedoeling is, noch vaste praktijk is, dat docenten of de studieloopbaanbegeleider studenten persoonlijk aanspreken op het niet voldoen aan de collegegeldverplichting. Voorts gaat de zorgplicht van verweerder niet zo ver dat hij, naast de hiervoor vermelde wijze van communicatie, gehouden was appellante persoonlijk te benaderen en haar te attenderen op de inschrijving. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld. Het College overweegt hiertoe dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het niet wenselijk is om appellante na 1 oktober in te schrijven en toe te laten tot de opleiding, omdat de instelling slechts bekostiging krijgt voor studenten die uiterlijk op 1 oktober zijn ingeschreven voor een opleiding. Het betoog faalt.