Uitspraak CBHO 2020/129/CBE

Bestreden beslissing:

Tegen de weigering haar toe te laten tot de scriptie  heeft de examencommissie afwijzend beslist. Op grond van een voorlopige voorziening heeft appellante haar scriptie met een voldoende afgerond.

Het CBE van de Universiteit van Amsterdam heeft het beroep niet ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen.

Tegen de afwijzing op het verzoek om PKV heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.6. Appellante heeft in het administratief beroepschrift verzocht om vergoeding van de door haar in verband met het administratief beroep gemaakte kosten. Al om die reden heeft zij een belang bij een beoordeling van haar administratief beroep, gericht tegen de beslissing van de examencommissie van 27 februari 2020. Indien een beoordeling van het administratief beroep zou leiden tot een herroeping van de beslissing van de examencommissie wegens een aan haar te wijten onrechtmatigheid, bestaat immers aanleiding om de door appellante gemaakte kosten in die procedure te vergoeden (zie bijvoorbeeld overweging 2.4 van de uitspraak van het College van 10 januari 2014 in zaken 2013/100 tot en met 113; www.cbho.nl). Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte het administratief beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van de door haar gemaakte kosten in verband met het administratief beroep zonder inhoudelijke beoordeling van het administratief beroep afgewezen.
2.7. Het beroep is gegrond. De beslissing van verweerder van 8 september 2020 komt voor vernietiging in aanmerking. In een nieuw te nemen beslissing zal verweerder het administratief beroep van appellante inhoudelijk moeten beoordelen. Indien verweerder in die nieuwe beslissing tot de conclusie komt dat de beslissing van 27 februari 2020 wegens een aan de examencommissie te wijten onrechtmatigheid moet worden herroepen, als bedoeld in artikel 7:28, tweede lid, van de Awb, dan komen de door appellante gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking. Het College ziet geen aanleiding om in die situatie het standpunt van verweerder te volgen dat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat ze niet noodzakelijk waren. Appellante heeft immers rechtsmiddelen moeten aanwenden om het door haar beoogde resultaat te kunnen bereiken, zodat zij die kosten redelijkerwijs heeft moeten maken.