Uitspraak CBHO 2020/183

Bestreden beslissing:

Appellante heeft in verband met COVID-19 geen onderwijs aangeboden gekregen. Op het verzoek om ontheffing van de verplichting om collegegeld te betalen is namens het CvB afwijzend beslist.

Het college van bestuur van de Vrije Universiteit heeft het bezwaar van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing op bezwaar heeft appellante beroep bij het College ingesteld.

Uitspraak CBHO:

ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.5. Het College stelt vast dat appellante gedurende een periode van zestien weken geen coschappen of onderwijs heeft kunnen volgen. Anders dan verweerder in zijn verweerschrift stelt, heeft appellante niet actief deelgenomen aan het maken van toetsen of tentamens. Appellante heeft gemotiveerd aangevoerd dat de tentamens Professional development masteryear 1 en Progress examination masteryear 2 twee automatisch gegeven vrijstellingen betreffen. Verder is niet in geschil dat appellante gedurende voormelde periode van zestien weken ingeschreven heeft gestaan bij de universiteit en dat zij over die periode ingevolge artikel 7.43 WHW en de Regeling collegegeld is verschuldigd. Het betoog van appellante komt er in de kern op neer dat toepassing van de Regeling leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het College beschouwt het verzoek van appellante om restitutie van het collegegeld dan ook als een beroep op de hardheidsclausule van artikel 13 van de Regeling. In hetgeen appellante aanvoert, ziet het College geen grond voor het oordeel dat verweerder haar verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Het College overweegt hiertoe dat verweerder appellante voldoende tegemoet is gekomen in deze voor iedereen uitzonderlijke situatie door haar de mogelijkheid te bieden zich tijdelijk uit te schrijven. Op deze wijze werd zij immers vrijgesteld van de verplichting om collegegeld te betalen. De omstandigheid dat appellante in geval van uitschrijving geen studiefinanciering ontvangt, leidt niet tot een ander oordeel. Studiefinanciering is bedoeld als financiering van de aan studie gerelateerde kosten en uitgaven van studenten. Verweerder is niet gehouden om de aan een inschrijving volgens de wettelijke regels verbonden kosten niet in rekening te brengen alleen om appellante te faciliteren in haar wens om tijdens een periode van niet-studeren toch studiefinanciering te ontvangen. De ter zitting van het College ingenomen stelling van appellante dat zij van DUO geen mogelijkheid heeft gekregen om haar studiefinanciering te verlengen, is een omstandigheid die buiten de invloedssfeer van verweerder ligt en waarvan de gevolgen dus niet voor risico van verweerder komen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat toepassing van de Regeling niet leidt een onbillijkheid van overwegende aard. Het betoog faalt.