Uitspraak CBHO 2021/005

Bestreden beslissing:

Het hoofd van de Centrale Studentenadministratie heeft namens het College van Bestuur bepaald dat appellant instellingscollegegeld ad € 8.100,-- verschuldigd is voor de bachelor Rechtsgeleerdheid.

Het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing van het college van bestuur heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond. 

Hoofdoverwegingen:

2.42.4. Naar het oordeel van het College zien de woorden “heeft ingeschreven” in de passage “zich voor het behalen van de aan die opleiding verbonden graad heeft ingeschreven voor een of meer andere opleidingen” in artikel 2.3a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit niet op de handeling waarmee de inschrijving plaatsvindt, maar op de datum met ingang waarvan de betrokken persoon voor een of meer andere opleidingen is ingeschreven. Dat is de datum waarop het studiejaar begint, of, indien de mogelijkheid van tussentijdse inschrijving per andere datum in een studiejaar bestaat, die datum. Dit kan worden afgeleid uit de Nota van Toelichting bij het Uitvoeringsbesluit (Staatsblad 2014/96, blz. 3 en 4), waarin is vermeld dat met artikel 2.3a wordt beoogd het gelijktijdig volgen van meer dan één opleiding te stimuleren door niet meer dan het wettelijk collegegeld te verlangen van studenten die meer dan één studie tegelijk volgen en die de volgende studie nog moeten afronden na het behalen van de eerste graad. Verder is daarin vermeld dat invoering van artikel 2.3a tot gevolg heeft dat ook studenten die voor het afronden van een eerste opleiding zijn gestart met een andere opleiding aanspraak maken op wettelijk collegegeld voor die volgende opleiding en dat de andere opleiding moet zijn gestart voor het behalen van de graad voor de eerste opleiding. Appellant heeft de aan zijn bacheloropleiding Bedrijfskunde MER verbonden graad behaald in het studiejaar 2019-2020. Hij kon pas vanaf 1 september 2020, het begin van het studiejaar 2020-2021, met de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid starten, omdat hij met ingang van die dag voor die opleiding is ingeschreven. Dit betekent dat artikel 2.3a niet van toepassing is. In zoverre faalt het betoog.
2.5. Het College stelt vast dat appellant op 10 april 2020 via Studielink heeft verzocht om voor het studiejaar 2020-2021 ingeschreven te worden voor de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid. In Studielink is vervolgens als verschuldigd collegegeldtarief het wettelijk collegegeldtarief ten bedrage van € 2.143,00 vermeld. Uitgaande van dit bedrag heeft appellant een incassomachtiging afgegeven. Het bedrag is berekend op basis van de situatie op 10 april 2020. Op dat moment had
appellant zijn bacheloropleiding Bedrijfskunde MER nog niet afgerond. Op 30 april 2020 heeft appellant zijn bacheloropleiding Bedrijfskunde MER afgerond. Het voor deze opleiding afgegeven diploma is op 12 mei 2020 geregistreerd, waarna een herberekening van het verschuldigde collegegeldtarief heeft plaatsgevonden.
Op basis van de situatie op 12 mei 2020 is appellant het instellingscollegegeldtarief ten bedrage van € 8.100,00 verschuldigd. Door een fout in Studielink is appellant niet via Studielink van deze herberekening op de hoogte gesteld. De universiteit is op 15 juni 2020 over de herberekening geïnformeerd en heeft deze overgenomen. De universiteit heeft appellant hiervan niet op de hoogte gesteld.
Op 25 augustus 2020 heeft appellant een e-mailbericht van de afdeling Studentendebiteuren van de universiteit ontvangen, waarin is vermeld dat die dag een bedrag van € 8.100,00 van zijn bankrekening wordt afgeschreven. Die afschrijving heeft die dag ook plaatsgevonden. Appellant heeft die dag vervolgens contact opgenomen met de universiteit en verzocht vast te stellen dat hij het wettelijk collegegeldtarief is verschuldigd. Dit verzoek heeft tot de beslissing van 3 september 2020 geleid.
2.6. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, was appellant ingevolge de toepasselijke wettelijke bepalingen voor inschrijving voor de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid het instellingscollegegeldtarief verschuldigd. Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, noopte verweerder naar het oordeel van het College niet tot het maken van een uitzondering op basis van bij appellant gewekt vertrouwen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de vermelding in Studielink, al dan niet in het kader van een te bevestigen incassomachtiging, dat appellant het wettelijk collegegeldtarief is verschuldigd niet een beslissing is waaraan appellant rechten kan ontlenen. Zoals verweerder in zijn verweerschrift heeft toegelicht gaat het om een geautomatiseerde mededeling door de Stichting Studielink. In de algemene voorwaarden op de website van Studielink staat bovendien dat de Stichting niet voor eventuele fouten aansprakelijk kan worden gesteld en dat aan de inhoud van Studielink geen rechten kunnen worden ontleend. Van de universiteit kan, gelet op het grote aantal aanmeldingen, niet worden verwacht ten aanzien van elke aanmelding de juistheid van de in Studielink over het verschuldigde collegegeldtarief vermelde informatie te controleren. Verweerder hoefde naar het oordeel van het College evenmin de hardheidsclausule toe te passen. Dat het instellingscollegegeldtarief veel hoger is dan het wettelijk tarief en het aangeboden onderwijs als gevolg van de coronamaatregelen beperkingen kent, zijn omstandigheden die gelden voor iedere student die niet-overlappende bacheloropleidingen aan de universiteit wil volgen en leveren daarom geen bijzonder geval van onbillijkheid van overwegende aard op. De ter zitting van het College door appellant toegelichte omstandigheid dat hij als gevolg van een ingrijpende gebeurtenis in zijn privéleven niet meer over een financieel vangnet beschikt, levert evenmin een bijzonder geval van onbillijkheid van overwegende aard op. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat appellant het verschuldigde bedrag op 25 augustus 2020 heeft betaald en hij niet heeft gesteld hierdoor in financiële moeilijkheden te zijn gekomen. De stelling van appellant dat hij op 3 september 2020 zijn plannen voor het studiejaar 2020-2021 niet
meer kon aanpassen, levert evenmin een bijzonder geval van onbillijkheid van overwegende aard op, omdat appellant niet heeft geconcretiseerd welke andere, goedkopere opleiding hij eventueel had willen volgen.Ook in zoverre faalt het betoog.