Uitspraak CBHO 2020/182

Bestreden beslissing: termijnoverschrijding.

De examinator heeft de onderwijseenheid Philosophy of the Humanities I met een 6,6 beoordeeld.

Het CBE van de Universiteit van Amsterdam heeft het administratief beroep van appellante tegen de beoordeling wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Gegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.3.2. De termijn van zes weken om een administratief beroepschrift in te dienen tegen de beslissing van 30 juni 2020, liep af op 11 augustus 2020. Het CBE heeft derhalve terecht geconcludeerd dat het beroepschrift van appellante, dat is gedateerd en ontvangen op 29 augustus 2020, buiten de beroepstermijn is ingediend.
Anders dan het CBE heeft geoordeeld, is het College van oordeel dat in dit geval sprake is van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Appellante heeft binnen de administratief beroepstermijn, te weten op 10 juli 2020, een e-mail gestuurd naar het e-mailadres van de examencommissie. Uit de inhoud van haar e-mail viel duidelijk op te maken dat zij zich niet kon verenigen met het toegekende resultaat voor het vak. Omdat appellante geen antwoord op haar e-mail had ontvangen, heeft zij op 3 augustus 2020 - en dus eveneens binnen de administratief beroepstermijn - een reminder naar hetzelfde e-mailadres gestuurd, waarbij ook haar eerdere e-mail van 10 juli 2020 was gevoegd. Het secretariaat van de examencommissie heeft appellante op dezelfde dag een antwoord gestuurd, dat inhield dat zij voor contact met de examencommissie gebruik moet maken van een verzoekformulier op de website. Op 5 augustus 2020 - en dus wederom binnen de administratief beroepstermijn - heeft appellante het ingevulde verzoekformulier per e-mail naar het secretariaat van de examencommissie gestuurd. Ook uit wat appellante op het verzoekformulier had ingevuld, was duidelijk op te maken dat appellante het niet eens was met het toegekende resultaat voor het vak. De examencommissie heeft appellante vervolgens op 14 augustus 2020 per e-mail geantwoord dat haar verzoek inzake de beoordeling van het vak niet-ontvankelijk is en dat zij tegen het toegekende cijfer administratief beroep kon indienen bij het CBE. Op dat moment was de administratief beroepstermijn echter al verstreken. Het College is van oordeel dat nu uit de e-mails van appellante aan (het secretariaat van) de examencommissie duidelijk viel op te maken dat zij zich niet kon verenigen met het toegekende cijfer voor het vak, het redelijkerwijs op de weg van (het secretariaat van) de examencommissie had gelegen om appellante per ommegaande erop te wijzen dat zij binnen de administratief beroepstermijn beroep moest instellen bij het CBE. Nu (het secretariaat van) de examencommissie dit (meermaals) heeft nagelaten en pas op 14 augustus 2020 inhoudelijk heeft gereageerd op de e-mail van appellante van 10 juli 2020, kan de termijnoverschrijding appellante in alle redelijkheid niet worden aangerekend. Dat de gegenereerde e-mail vanuit SIS van 30 juni 2020 een rechtsmiddelenclausule en een verwijzing naar de zogenoemde “A-Z-lijst” op de website van de universiteit bevat, maakt dit onder deze omstandigheden niet anders. Overigens merkt het College op ook dat er geen schikkingspoging is ondernomen, terwijl daar juist alle aanleiding toe bestond (zie CBHO 2020/105, www.cbho.nl).
De beroepsgrond slaagt.