Uitspraak CBHO 2020/199

Bestreden beslissing:

Appellante heeft verzocht om, na een onderbreking wegens persoonlijke omstandigheden,  het honoursprogramma te mogen vervolgen. De examencommissie heeft afwijzend op het verzoek beslist.

Het CBE van de Hogeschool van Amsterdam heeft het administratief beroep tegen die beslissing wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: 

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.4. Het College stelt vast dat in deze zaak niet in geschil is dat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend. In hetgeen appellante aanvoert, ziet het College geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het College overweegt hiertoe als volgt. In de rechtsmiddelenclausule die in de beslissing van 9 juli 2020 is opgenomen, is vermeld dat binnen zes weken na de dag waarop deze bekend is gemaakt beroep kan worden ingesteld bij verweerder. Gelet hierop had het voor appellante duidelijk kunnen en moeten zijn tot wanneer de beroepstermijn liep. De stelling van appelante dat zij op de website van de hogeschool heeft gelezen dat de beroepstermijn pas de dag na het ontvangst van de beslissing begint te lopen, mist feitelijke grondslag. In de door appellante meegestuurde bijlage, waarin een formulier van de hogeschool is opgenomen, staat niet vermeld dat de beroepstermijn pas de dag na ontvangst van die beslissing begint te lopen. Verder kan de omstandigheid dat het beroep slechts één dag te laat is ingediend niet afdoen aan het feit dat het administratief beroep niet tijdig is ingediend. De door appellante aangevoerde persoonlijke omstandigheden, waarvan begrijpelijk is dat deze een impact op haar hebben gehad, zijn niet van dien aard dat appellante niet in staat moest worden geacht tijdig beroep in te stellen. Het College overweegt hiertoe dat appellante tijdig administratief beroep had kunnen instellen zonodig op nader aan te voeren gronden. Voorzover zij zich er niet van bewust was dat dit mogelijk was, had het op haar weg gelegen om tijdig juridisch advies hierover in te winnen. De conclusie is dat verweerder het administratief beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het College, net als verweerder, niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Het betoog faalt.