Uitspraak CBHO 2020/167

Bestreden beslissing:

De examencommissie van de Academie Bestuur, Recht & Ruimte heeft appellant wegens (herhaald) plagiaat uitgesloten van alle tentamens en toetsen, voor een periode van 365 dagen.

Het CBE van Saxion Hogeschool heeft het administratief beroep tegen de uitsluiting ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Gegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.3.4. Zoals het College eerder heeft overwogen, is niet iedere onjuiste bronvermelding aan te merken als plagiaat als bedoeld in de voorlichtingstekst. Voor de vraag of sprake is van plagiaat voor zover het gaat om het niet, onjuist of onvolledig verwijzen naar bronnen, zijn de omvang en de ernst van de onjuiste bronvermelding van belang (zie overweging 2.7 van de uitspraak van het College van 1 maart 2021 in zaak nr. 2020/155). Naar het oordeel van het College rechtvaardigen de constateringen van de examinator in de tweede versie van de opdracht van appellant in dit geval de conclusie dat sprake is van plagiaat. Het gaat in deze zaak niet alleen om het ontbreken van aanhalingstekens bij wat grotere stukken tekst, maar ook het geheel ontbreken van bronvermelding bij twee stukken tekst die letterlijk van de bron zijn overgenomen en waarbij in de opdracht ook niet duidelijk is dat het gaat om letterlijke tekst. Dat 79% van de tekst, naar appellant stelt, van hemzelf is, geeft het College geen aanleiding voor een andere conclusie. De combinatie van het ontbreken van bijvoorbeeld aanhalingstekens bij letterlijk overgenomen stukken tekst en het in het geheel niet vermelden van bronnen, maakt dat sprake is van plagiaat. Voor zover appellant stelt dat een medestudent voor hem kan getuigen dat hij de opdracht zelf heeft gemaakt, leidt ook dat betoog niet tot een ander oordeel. De examencommissie heeft appellant niet aangerekend dat hij de opdracht niet zelf heeft gemaakt, maar dat in de opdracht plagiaat is geconstateerd. De examencommissie is naar het oordeel van het College dan ook bevoegd om een sanctie op te leggen. Of die sanctie proportioneel is, komt hieronder aan bod.
ii. Sanctie proportioneel?
2.3.5. De examencommissie heeft de sanctie van uitsluiting van het afleggen van toetsen gedurende een periode van 365 dagen aan appellant opgelegd, omdat al eerder plagiaat in het werk van appellant is geconstateerd. In het studiejaar 2017 2018 heeft hij daarvoor vier keer een sanctie opgelegd gekregen. Ook in het studiejaar 2019-2020 heeft appellant bij beslissing van 21 januari 2020 een sanctie opgelegd gekregen wegens plagiaat. Die sanctie bestond uit de ongeldigverklaring van een door hem gemaakte toets en uitsluiting van deelname van de eerste toetskans van twee modulen uit kwartiel 3. In de beslissing van 21 januari 2020 is appellant, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, gewaarschuwd voor de gevolgen, een mogelijke uitschrijving van appellant, indien opnieuw plagiaat wordt vastgesteld. De examencommissie is met de sanctionering niet zover gegaan dat zij het instellingsbestuur heeft voorgesteld om de inschrijving voor de opleiding van appellant definitief beëindigen, maar heeft in haar beslissing wél een zwaardere sanctie opgelegd dan de eerder bij beslissing van 21 januari 2020 opgelegde sanctie. Naar het oordeel van het College heeft de examencommissie, zoals verweerder ook heeft gesteld, onder deze omstandigheden niet een te zware sanctie opgelegd. Hierbij heeft de examencommissie ook mogen betrekken dat appellant in het verleden al vaker een sanctie heeft gekregen wegens plagiaat. Dat appellant een tijdje met de studie is gestopt, betekent in dit geval niet dat de examencommissie het sanctieverleden van appellant niet mocht betrekken bij het bepalen van de sanctie. Nadat appellant was uitgeschreven, heeft hij dezelfde studie weer opgepakt op het punt waar hij was gebleven en zijn ook zijn eerdere toetsresultaten blijven staan. Anders dan appellant stelt, is zijn geval niet een op een te vergelijken met studenten die na een eerdere studie bij een onderwijsinstelling een vergelijkbare studie bij een andere instelling gaan volgen en vrijstelling moeten vragen voor de vakken die zij al eerder aan een andere instelling hebben behaald. Verder is van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, meer vormen van plagiaat zijn geconstateerd. Dat appellant net is overgegaan naar het tweede studiejaar en hij stelt als gevolg van de beslissing in feite twee studiejaren te moeten vergooien, leidt niet tot een ander oordeel. Appellant is diverse keren gesanctioneerd en gewaarschuwd voor plagiaat en heeft daarover nog een gesprek gehad met de directeur. Dat de directeur, naar appellant ter zitting heeft gesteld, tijdens dit gesprek heeft aangegeven dat hij weer “met een schone lei “ kon beginnen, betekent niet dat eerdere sancties bij nieuwe overtredingen geen rol meer zouden mogen spelen. Hij had dus kunnen dan wel moeten weten dat een volgende constatering van plagiaat ernstige gevolgen kon hebben voor zijn studiecarrière.