Uitspraak CBHO 2021/023

Bestreden beslissing:

De examencommissie heeft afwijzend beslist op het verzoek om het predicaat ‘cum laude’ toe te kennen voor het propedeuse-examen Rechtsgeleerdheid.

Het CBE van de Universiteit Leiden heeft het administratief beroep van appellante ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: 

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.5.1. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen grond om de beslissing van het CBE onjuist te achten. Voor zover appellante met haar stelling dat er naar de letter van de wet geen belemmering is om het predicaat toe te kennen, beoogt aan te voeren dat zij recht heeft toekenning van het predicaat, merkt het College op dat de toekenning van het predicaat een bevoegdheid is van de examencommissie. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt de examencommissie beoordelingsruimte toe (vergelijk de uitspraak van het College van 31 juli 2018 in zaaknummer CBHO 2018/079/CBE; www.cbho.nl). Ter zitting bij het CBHO heeft het CBE nader toegelicht dat het de examencommissie volgt dat bij “andere bijzondere omstandigheden” met name gaat om omstandigheden die gerelateerd zijn aan de inhoudelijke vereisten voor het predicaat “cum laude” zoals opgenomen in artikel 4.12, onder 4.12.4, van de OER. Dit acht het College redelijk. Dat het CBE niet concreet heeft gedefinieerd wat de examencommissie onder “andere bijzondere omstandigheden” als bedoeld in artikel 4.12, onder 4.12.6, van de OER zou moeten verstaan, betekent niet dat de beslissing van het CBE daarom in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Of sprake is van dergelijke omstandigheden dient juist per geval te worden beoordeeld. Dat de vorm van het onderwijs als gevolg van de coronacrisis is aangepast, kon in redelijkheid worden aangemerkt als niet zijnde een bijzondere omstandigheid die het niet voldoen aan het vereiste gewogen gemiddelde kan compenseren. Immers, niet alleen appellante had met deze omstandigheid te maken, maar ook haar medestudenten. Bovendien heeft het CBE in redelijkheid in navolging van de examencommissie kunnen menen dat onvoldoende aannemelijk is dat er in het geval van appellante een causaal verband bestaat tussen het niet voldoen aan het vereiste gewogen gemiddelde en de aangepaste vorm van onderwijs als gevolg van de coronacrisis. In aanmerking wordt genomen dat appellante vlak voor de coronacrisis een gewogen gemiddelde had van net boven de 8,0. Verder zijn behaalde studieresultaten mede afhankelijk van de zwaarte van een vak en in hoeverre een vak een student ligt. Gelet op het voorgaande komt het College tot de conclusie dat het CBE en de examencommissie zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de door appellante aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormen die de toekenning van het predicaat rechtvaardigen. De beroepsgrond faalt.