Uitspraak CBHO 2021/026

Bestreden beslissing:

De examinator(en) van de opleiding Communicatie hebben drie onderwijseenheden met een onvoldoende beoordeeld.

Het CBE van Hogeschool Inholland heeft het administratief beroep tegen de beoordelingen ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

Project De Redactie

2.5.2. Met betrekking tot de onderwijseenheid Journalistiek schrijven en res overweegt het College als volgt. Appellant heeft niet deelgenomen aan de eerste toetsgelegenheid. Hierdoor had hij niet eerder artikelen ingeleverd die door de examinator van feedback konden worden voorzien. Om die reden kon voor appellant de procedure als beschreven in de studiehandleiding gevolgd worden. Dit komt het College niet onredelijk voor. Dat andere studenten op een andere manier beoordeeld zijn omdat zij wel eerder artikelen hadden ingediend die van feedback waren voorzien, maakt op zichzelf niet dat appellant bij de herkansingsgelegenheid geen eerlijke kans heeft gehad om de onderwijseenheid te kunnen behalen.

Tentamen Marketingcommunicatie 1

2.5.3. Zoals appellant in zijn beroepschrift heeft aangegeven, richt het beroep zich uitsluitend tegen de beoordeling van het tentamen op 22 mei 2020 en niet tegen omstandigheden rondom de herkansing waaraan appellant uiteindelijk niet meer heeft deelgenomen. Het College gaat dan ook voorbij aan wat appellant over die herkansing naar voren heeft gebracht. Er wordt geen grond gezien om te oordelen dat de beoordeling van het tentamen op 22 mei 2020 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Appellant heeft niet betwist dat hij na het tentamen mondeling feedback van de examinator heeft gekregen. Deze feedback is later in verkorte vorm opgenomen in de beoordelingssamenvatting van 5 juni 2020. Er zijn derhalve geen aanwijzingen dat appellant onvoldoende terugkoppeling zou hebben gekregen. Er is evenmin aanleiding om te veronderstellen dat de examinator het tentamen niet objectief zou hebben beoordeeld. De enkele omstandigheid dat de examinator de avond voor de datum van de herkansingmogelijkheid aan appellant heeft meegedeeld die herkansing niet meer onbevangen te kunnen beoordelen als gevolg van de gevoerde discussie met appellant over de beoordeling van het eerste tentamen, betekent niet dat die beoordeling van het eerste tentamen niet onbevangen heeft plaatsgevonden.

Tentamen Social Media

2.5.4. Het College acht geen aanknopingspunten aanwezig die erop wijzen dat appellant geen eerlijke kans zou hebben gekregen om de herkansing van het tentamen te kunnen behalen. Appellant heeft, anders dan hij stelt, naar aanleiding van het eerste tentamen op 10 juni 2020 niet alleen feedback gekregen met betrekking tot een onjuiste bronvermelding. In de beoordelingssamenvatting van 19 juni 2020 staat inderdaad dat de bronvermelding compleet ontbreekt in het hele dossier en dat dit ook de reden is dat de opdrachten drie en vier onvoldoende zijn. In dit document staat echter ook: “ je dient je bevindingen ook te onderbouwen en hier conclusies uit te trekken. Je bent op zich een eind op weg, maar hier moet je nog even mee aan de slag”. Verder is het onderdeel “Online reputatie” met een onvoldoende beoordeeld en staat hierbij de feedback: “Opdracht is deels uitgevoerd en/of geformuleerde adviezen zijn niet of nauwelijks theoretisch onderbouwd”. Ook het onderdeel “Social media strategie” is met een onvoldoende beoordeeld. Daarbij is de volgende feedback gegeven: “Opdracht is deels uitgevoerd en/of geformuleerde strategie is niet of nauwelijks theoretisch onderbouwd”. Daarnaast is appellant in de gelegenheid gesteld om inzage te krijgen in het tentamen van 10 juni 2020, maar heeft hij hier geen gebruik van gemaakt. Dat hij zich hierdoor alleen heeft kunnen baseren op de feedback op het beoordelingsformulier van 19 juni 2020, dient onder die omstandigheid voor zijn rekening en risico te komen. Dat appellant zijn slides niet heeft kunnen presenteren, maakt dit niet anders.