Uitspraak CBHO 2021/019

Bestreden beslissing:

De onderwijseenheid Bestuursrecht II is door de examinator met een 6 beoordeeld; de examencommissie heeft bevestigd dat appellant heeft voldaan aan de eisen.

Het CBE van de OU heeft het administratief beroep van appellant ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.4. In hetgeen appellant aanvoert, ziet het College geen grond voor het oordeel dat de beslissing van verweerder niet in stand kan blijven. Het College overweegt hiertoe dat niet is gebleken is dat bij de beoordeling niet is voldaan aan de voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb, de WHW of enig andere wet in formele zin zijn gesteld. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat noch door de examinator noch door verweerder is onderzocht of de vraagstellingen in het tentamen voldoende nauwkeurig zijn. Naar aanleiding van het door appellant ingediende beroepschrift heeft de opleiding de technische analyse van het tentamen door het Expertisecentrum onderwijs en professionalisering (ECOP) van de Open Universiteit overgelegd. Naar aanleiding van de verkregen analyse, waarbij niet is ingegaan op de inhoud van de tentamenstof, is de examinator het tentamen nogmaals nagelopen. Dit heeft er toe geleid dat voor vraag 10 alsnog punten zijn toegekend. Er is, anders dan appellant stelt, dus wel degelijk onderzocht of de vraagstellingen in het tentamen voldoende nauwkeurig zijn. Het College overweegt voorts dat het, gelet op het in 2.3. geschetste toetsingskader, geen oordeel mag geven over de vaststelling van de tentamenvragen en de antwoorden die daarbij horen. Hetgeen appellant over vragen 6, 18 en 21 van het tentamen heeft aangevoerd, kan derhalve niet door het College inhoudelijk worden beoordeeld. Over de door verweerder verrichte toetsing overweegt het College als volgt. Verweerder heeft getoetst of de beoordeling door de examinator voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en of zij genoegzaam is onderbouwd waarbij verweerder heeft opgemerkt dat de beoordeling van een examen behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de desbetreffende examinator. Volgens verweerder brengt dit mee dat, naast de hiervoor aangegeven toetsing, de beoordeling van een examen of enig onderdeel daarvan slechts voor vernietiging in aanmerking komt als er strijd is met enige regel van geschreven of ongeschreven recht. Het College acht de door verweerder aangelegde toetsingsmaatstaf niet onjuist. Ten aanzien van de stelling van appellant dat het hem niet duidelijk is of verweerder zijn aanvullend beroepschrift bij de beslissing heeft betrokken, merkt het College op dat het aanvullend beroepschrift deel uitmaakt van het procesdossier van verweerder. De enkele omstandigheid dat verweerder in zijn beslissing niet uitdrukkelijk heeft verwezen naar het aanvullend beroepschrift, betekent niet dat verweerder dat stuk niet bij zijn beslissing heeft betrokken. Over de minnelijke schikking merkt het College op dat de examencommissie op grond van artikel 7.61, derde lid, van de WHW er toe gehouden is na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, maar hieruit volgt niet de verplichting voor de examencommissie om een schikkingsvoorstel te doen. 
 Het betoog slaagt niet.