Uitspraak CBHO 2021/010

Bestreden beslissing:

De studentenadministratie heeft appellant bericht dat hij voor de herinschrijving voor het schakelprogramma opnieuw een vergoeding verschuldigd is.

Het college van bestuur  van de Rijksuniversiteit Groningen heeft het bezwaar van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing van het college van bestuur heeft appellant beroep bij het College ingesteld.

Uitspraak CBHO: 

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.4.1. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om de beslissing van het College van bestuur onjuist te achten. De omvang van de pre-master Marketing bedraagt 60 ECTS. Inschrijving en toelating voor de pre-master geschiedt per studiejaar. De vergoeding voor de pre-master Marketing is door de RUG gesteld op een bedrag gelijk aan het bedrag van het wettelijk collegegeld. Dit strookt met artikel 7.57i, derde lid, van de WHW, waaruit volgt dat de vergoeding voor een pre-master van 60 ECTS maximaal het volledige wettelijk collegegeld mag bedragen. De pre-master Marketing staat voor de studielast van één studiejaar. De RUG heeft alle onderdelen van het pre-masterprogramma aangeboden in het studiejaar 2019-2020. Appellant heeft ook onderwijs genoten in dat studiejaar: hij heeft alle onderdelen van het programma gevolgd en heeft zich voor de tentamens ingeschreven en heeft deze ook afgelegd. Omdat appellant 15 ECTS van het programma niet heeft behaald, heeft hij voor het studiejaar 2020-2021 een verzoek tot herinschrijving ingediend en de toelatingscommissie opnieuw om toelating tot het pre-masterprogramma gevraagd. De toelatingscommissie heeft het verzoek van appellant beoordeeld, waarbij is bekeken of appellant de deficiëntie om toegelaten te kunnen worden tot de desbetreffende masteropleiding alsnog kan wegwerken in het studiejaar 2020-2021. De toelatingscommissie heeft hiertoe bevestigend beslist op 17 september 2020. De herinschrijving geldt als een nieuwe inschrijving voor de pre-master Marketing. Er is niet, zoals appellant kennelijk veronderstelt, sprake van een doorlopende inschrijving. Voor de herinschrijving heeft de toelatingscommissie opnieuw een vergoeding van appellant mogen vragen. Artikel 7.57i, derde lid, van de WHW staat daaraan niet in de weg. Ook is dit niet strijdig met de bedoeling van de wetgever zoals deze volgt uit de parlementaire stukken bij de bepaling. De van appellant gevraagde vergoeding van EUR 536,- is op grond van artikel 19, derde lid, van de RIC 2020-2021 gerelateerd aan de resterende 15 ECTS. Het College acht een vergoeding ter hoogte van dit bedrag redelijk. Restitutie van de voor het studiejaar 2019-2020 betaalde vergoeding voor de niet behaalde 15 ECTS is niet aan de orde, nu de RIC niet voorziet in restitutie voor niet behaalde studiepunten. Appellant heeft ter zitting van het College nog naar voren heeft gebracht dat zijn oma, een zeer belangrijk familielid van hem, vlak voor een tentamen in het studiejaar 2019-2020 is overleden waardoor hij het desbetreffende tentamen niet heeft kunnen voorbereiden en behalen. Het College sluit niet uit dat dit van invloed is geweest, maar kan en mag met die omstandigheid in deze fase van de procedure geen rekening houden. Het beroep is gericht tegen het besluit van 12 januari 2021 en omdat appellant deze omstandigheid in zijn verzoek noch in de bezwaarprocedure bij het College van bestuur naar voren heeft gebracht, vormt die omstandigheid geen onderdeel van het besluit. Daarom kan die omstandigheid ook geen onderdeel uitmaken van de beoordeling van het beroep. 
Het betoog faalt.