Uitspraak CBHO 2020/197

Bestreden beslissing:

Namens het instellingsbestuur is aan appellante gemeld dat zij het instellingscollegegeld (hoog tarief) dient te betalen voor de bacheloropleiding Verpleegkunde.

Het college van bestuur van Hogeschool Inholland heeft het bezwaar van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing van het college van bestuur heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.3.1. De HBO-opleiding Sporteconomie en Communicatie die appellante heeft afgerond, is in het CROHO-register opgenomen onder het onderdeel onderwijs, als bedoeld in artikel 3.1, aanhef en onder e, van het Uitvoeringsbesluit WHW. Uit artikel 2.3, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit blijkt dat deze opleiding daarom voor dat artikel als opleiding op het gebied van onderwijs wordt aangemerkt. Dat appellante met haar opleiding geen onderwijsbevoegdheid heeft verkregen, maakt dat niet anders. Nu appellante een bachelorgraad heeft behaald in verband met een opleiding met een registratie op het gebied van onderwijs, komt zij niet voor de in artikel 2.3, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 opgenomen uitzondering in aanmerking. Het college van bestuur heeft zich derhalve terecht, en op dit punt naar het oordeel van het College ook in overeenstemming met de strekking van de WHW, op het standpunt gesteld dat appellante ingevolge artikel 7.45a, eerste lid, van de WHW voor de opleiding Verpleegkunde instellingscollegegeld verschuldigd is. Het College verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 19 november 2018 in de zaak CBHO 2018/122 en van 8 juli 2020 in de zaak CBHO 2019/218 (www.cbho.nl). Het betoog slaagt niet.
[…]
2.4.1. Ook dit betoog slaagt niet. Het college van bestuur heeft ter zitting uiteengezet dat bij iedere student die zich bij Inholland aanmeldt en eenzelfde voorgeschiedenis heeft wat betreft de eerder genoten opleiding als appellante, het instellingscollegegeld in rekening wordt gebracht. Er worden slechts uitzonderingen gemaakt voor studenten die hun eerdere opleiding bij Inholland zelf hebben afgerond, omdat het college van bestuur aan eigen studenten een mogelijk onjuiste registratie van die eerder opleiding niet wil tegenwerpen. Het College heeft eerder, onder meer in zijn onder 2.3.1 genoemde uitspraak van 8 juli 2020, overwogen dat het niet onredelijk is dat het eerder in artikel 7.45a WHW en nu in artikel 2.3, eerste lid, onder a, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, opgenomen formele criterium van de CROHO-registratie als uitgangspunt is genomen teneinde afbakeningsproblemen te voorkomen. 
2.4.2. Dat het door het CvB gehanteerde beleid niet voorziet in dezelfde behandeling van studenten van Hogeschool Inholland en studenten die aan een andere onderwijsinstelling een diploma hebben behaald, gaat een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De omstandigheden van appellante zijn ook niet dermate bijzonder dat het CvB ten gunste van appellante van zijn beleid had behoren af te wijken. Ook in dit verband wijst het College naar zijn eerdergenoemde uitspraak van 8 juli 2020