Uitspraak CBHO 2021/002

Bestreden beslissing:

De examencommissie Pedagogiek en Onderwijs heeft de toets met een onvoldoende beoordeeld en studente wegens fraude uitgesloten van deelname aan toetsen en het inleveren van werkstukken uit een deel van het eerste en tweede studiejaar.

Het CBE van de Saxion Hogeschool heeft het administratief beroep van appellante ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.2.1. Dit betoog slaagt niet. De latere ondertekening maakt niet dat de beslissing nietig of ongeldig is, maar hooguit dat de werking ervan (in dit geval: een dag) later aanvangt. De verzending per e-mail op  
26 november 2020, kan niet anders worden gezien dan als het bij wijze van service meedelen wat de beslissing inhoudt. Anders dan appellante kennelijk meent, gaat vergelijking met de zaken die hebben geleid tot de onder 2.2 genoemde arresten mank. In die zaken ging het niet om de datum van ondertekening van een stuk (in dat geval vonnissen), maar om de vraag of dat stuk tot stand was gebracht door bevoegde rechters en of die bevoegdheid ook ten tijde van het doen van die uitspraken bestond.
[…]
2.3.1. Dit betoog slaagt niet. Het College stelt voorop dat appellante heeft erkend dat zij bij het schrijven van het essay gebruik heeft gemaakt van teksten van internet en van een andere student. De erkenning houdt in dat appellante vrijwel niets aan eigen tekst in haar essay heeft verwerkt. Zij heeft daarmee geheel of gedeeltelijk onmogelijk gemaakt dat een juist oordeel over haar kennis, inzicht, vaardigheden of (beroeps) houding kon worden gegeven. Naar het oordeel van het College heeft de examencommissie, gegeven ook de hoge plagiaatscore van 100%, deze handelwijze mogen beschouwen als ernstige fraude. De daarbij opgelegde sanctie, die overeenkomt met wat voor dergelijke gevallen bij de Hogeschool gebruikelijk is, is evenredig. Daarbij is van belang dat, anders dan appellante stelt, rekening is gehouden met haar belangen, onder meer door appellante toe te staan wel de WISCAT-toets, die medebepalend is voor de voortzetting van de opleiding, te maken.
2.3.2. Dat een medestudent appellante gelegenheid zou hebben gegeven gebruik te maken van zijn essay, door haar in staat te stellen van zijn essay een foto te maken zoals appellante stelt, en hij daarvoor niet is bestraft, is – wat er verder ook zij van deze stelling – niet relevant en doet niets af aan de rechtmatigheid van de jegens appellante genomen beslissing. Van (onbestraft gelaten) medeplegen van fraude door de medestudent is feitelijk geen sprake, nu appellante bij haar herkansing gebruik heeft gemaakt van het door die medestudent eerder geschreven essay, dat hij haar als voorbeeld heeft getoond. Dat zij dat werk bij de herkansing vrijwel volledig zou overschrijven, kan hem ook niet worden aangerekend. Van willekeur bij het al dan niet treffen van maatregelen bij vastgestelde fraude is dus evenmin sprake. De vergelijking die appellante maakt met de beslissing van het College in de zaak 2017/053 gaat niet op. In die zaak stond ter discussie aan welke vorm van fraude de studente zich schuldig had gemaakt, toen zij gelijktijdig met haar broer een tentamen had gemaakt en zij elkaar daarbij hebben geholpen, terwijl de volgordelijkheid van de gebeurtenissen in de voorliggende zaak niet ter discussie staat.