Uitspraak CBHO 2021/011

Bestreden beslissing:

De examencommissie heeft het tentamen Algorithms and Data Structures omgeldig verklaard wegens het (mede-)plegen van fraude en appellant uitgesloten van alle tentamens in de periode tot en met 2 juli 2021.

Het CBE van de Technische Universiteit Delft heeft het administratief beroep van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO:

Ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.2.1. Dit betoog slaagt niet. Het College stelt vast dat appellant en de medestudent beiden hebben deelgenomen aan het betrokken tentamen. Appellant heeft niet alle vragen gemaakt en is al vrij kort na het begin van het tentamen uitgelogd. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat alle opdrachten die gedurende het tentamen worden ingevuld worden opgeslagen. Tussen partijen is niet in geschil dat de code van de medestudent en die van appellant bij de betreffende tentamenopdracht voor 92% overeenkomen. Zoals verweerder heeft toegelicht is een dergelijk hoog percentage niet anders te verklaren dan dat de code is gedeeld. Dat blijkt ook uit het feit dat een variabele die in de opdracht zat door de medestudent in de code in diens tentamen is aangepast, en wel binnen zeer korte tijd nadat de code in het antwoordvak was ingevuld. De verklaring(en) die appellant heeft gegeven voor de grote mate van overeenstemming zijn of aantoonbaar onjuist of dermate onwaarschijnlijk dat daarvan niet kan worden uitgegaan. Als appellant de code niet zelf had gedeeld, dan zou volgens verweerder het gebruik door een medestudent van de code van appellant slechts mogelijk zijn indien die medestudent toegang had tot het account van appellant. De bij het tentamen gebruikte software laat echter zien dat van een tweede inlogpoging op het account van appellant geen sprake is, zodat ervan kan worden uitgegaan dat, anders dan appellant heeft gesteld, van een hack geen sprake was. Ook anderszins is van misbruik van het account van appellant niet gebleken. Het College ziet, mede gelet op wat appellant daar tegenover heeft gesteld, geen aanleiding om hieraan te twijfelen. In dit verband is ook van belang dat appellant voor de vastgestelde overeenkomst tussen de codes telkens andere verklaringen aandraagt, die vervolgens telkens door verweerder worden weerlegd, waarmee die verklaringen aan geloofwaardigheid inboeten. De medestudent van appellant, die ook voor fraude is bestraft, heeft bovendien verklaard dat de code op andere wijze door appellant is gedeeld en erkend dat hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Dat deze student daarbij belang had, zoals appellant heeft gesteld, is niet aannemelijk, nu die verklaring immers ook tot bestraffing zou kunnen leiden en daartoe feitelijk ook heeft geleid.
2.3. Appellant heeft subsidiair betoogd dat de sanctie niet evenredig is. Ten onrechte is bij de beoordeling niet of onvoldoende betrokken dat appellant hoe dan ook geen toestemming heeft verleend voor het gebruik van zijn code. Dat geldt ook voor het feit dat hij tweemaal eerder op fraude is aangesproken. De verhouding tussen de twee eerdere gedragingen ten opzichte van de nu verweten gedraging had bij de afweging moeten worden betrokken.
2.3.1. Ook het subsidiaire betoog slaagt niet. Verweerder kan worden gevolgd in zijn opvatting dat van ernstige fraude sprake is. Bovendien is appellant al tweemaal eerder voor het plegen van fraude is bestraft, die bestraffing er kennelijk niet toe heeft geleid dat appellant voor toekomstige gevallen van (het meewerken aan) fraude zou afzien. Dat appellant tegen de eerdere bestraffingen niet is opgekomen, werpt hierop geen ander licht en leidt niet tot een ander oordeel. De sanctie is in overeenstemming met de ernst van de gedraging.