Uitspraak CBHO 2021/025.5

Bestreden beslissing:

Namens het instellingsbestuur heeft de directeur van het Instituut voor Arbeid & Organisatieis afwijzend beslist op het verzoek tot inschrijving voor de opleiding Data Driven Business.

Het college van bestuur van de Hogeschool Utrecht heeft het bezwaar van appellant tegen de weigering ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld en verzocht om versnelde behandeling.

Uitspraak CBHO:

Gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.2.2. […]. Het college van bestuur heeft de beslissing van 14 januari 2021 dan ook onbevoegd genomen. Het college van bestuur heeft dit erkend. Het CBE, dat qua samenstelling een personele unie vormt met de geschillenadviescommissie, heeft de beslissing van het college van bestuur bij brief van 16 maart 2021 bekrachtigd en voor zijn rekening genomen.
De beslissing van 14 januari 2021 is in strijd met artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder g, van de WHW en dient te worden vernietigd. Het College zal in het kader van de inhoudelijke beroepsgronden beoordelen of er, mede vanwege de bekrachtiging van de beslissing door het CBE, aanleiding is om de rechtsgevolgen van de beslissing van 14 januari 2021 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in stand te laten.
[…]
2.4.4. De voorwaarde dat een voldoende resultaat moet zijn behaald op de instroomtoets is naar het oordeel van het College een kwalitatieve toelatingseis als bedoeld in artikel 7.30b, tweede lid, van WHW. Anders dan appellant betoogt, staat artikel 7.30b, tweede lid, van de WHW er niet aan in de weg dat een dergelijke kwalitatieve toelatingseis met betrekking tot kennis wordt toegepast voor kandidaten die op grond van hun vooropleiding in beginsel toelaatbaar zijn. Naar het oordeel van het College kan de instroomtoets in redelijkheid als een kwalitatieve toelatingseis aangemerkt worden.
Uit artikel 7.30b, vijfde lid, van de WHW volgt dat wanneer bij de selectie voor een masteropleiding kwalitatieve toelatingseisen worden gehanteerd, dit ten minste twee soorten eisen moeten zijn. De instroomtoets toetst actuele parate kennis van zowel statistiek als onderzoeksmethoden. Daarmee is, anders dan het college van bestuur stelt, geen sprake van twee verschillende soorten kwalitatieve toelatingseisen. Voor beide gebieden gaat het immers om toetsing van de inhoudelijke kennis van de kandidaten.
Het College vindt in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7.30b van de WHW geen steun voor de opvatting van het college van bestuur dat het vijfde lid, in afwijking van de wettekst, zo moeten worden uitgelegd dat bij de selectie voor een masteropleiding met slechts één soort kwalitatieve toelatingseis kan worden volstaan. De door het college van bestuur aangehaalde passage uit de totstandkomingsgeschiedenis heeft betrekking op selectie vanwege aanvullende eisen als bedoeld in artikel 7.26 van de WHW. In dit geval is echter geen sprake van een opleiding die op grond van die bepaling door de minister is aangewezen. Uit deze passage kan dan ook niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd om de eis van twee of meer soorten kwalitatieve toelatingseisen uit artikel 7.30b, vijfde lid, van de WHW te laten vervallen. Het College leidt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7.30b van de WHW (zie onder meer Kamerstukken II, 2012/13, 33 519, nr. 3, blz. 17 en blz. 36-37) juist af dat bij de selectie voor een masteropleiding die niet op grond van artikel 7.26 van de WHW is aangewezen alleen een combinatie van twee of meer soorten kwalitatieve toelatingseisen mag worden gehanteerd. Aan die voorwaarde is in dit geval niet voldaan, nu slechts één kwalitatieve toelatingseis wordt gesteld, en niet een combinatie van ten minste twee verschillende soorten toelatingseisen.
2.4.5. Gelet op het voorgaande is de beslissing van 14 januari 2021 in strijd met artikel 7.30b, tweede en vijfde lid, van de WHW. Het College ziet daarom geen reden om de rechtsgevolgen van deze beslissing met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.
2.5. Het beroep is gegrond. De beslissing van 14 januari 2021 dient te worden vernietigd. Het bezwaarschrift van appellant dient als administratief beroepschrift te worden doorgezonden aan het CBE en het CBE dient daar alsnog in administratief beroep op te beslissen.